Polders bij primair kanaal 6 in de Musi-delta, Zuid-Sumatra

In mijn eerdere bijdrage aan Flevolands Geheugen heb ik geschreven over Laaglandontwikkeling in Indonesië. Ik heb toen aangegeven dat ik betrokken ben geweest bij de ontwikkelingen in de delta van de Musi in Zuid-Sumatra. In deze bijdrage ga ik nader in op één van deze gebieden, namelijk de polders bij primair kanaal 6 in het gebied Telang I in de delta van de Musi.

Secondair kanaal in het voorbeeld gebied bij primair kanaal 6

Secondair kanaal in het voorbeeldgebied bij primair kanaal 6 (foto Bart Schultz).

Alle rechten voorbehouden

Indonesië heeft een duidelijke classificatie met betrekking tot het waterbeheer in de laaglandgebieden die onder invloed staan van getijden. Een onderscheid wordt gemaakt in de klassen A, B, C en D:

  • A) Gebieden die bij hoog water kunnen worden geïrrigeerd

Deze gebieden kunnen zowel in het natte als in het droge seizoen rond springtij minimaal vier tot vijf dagen onder water komen te staan. In feite zijn dit na ontwikkeling dus polders;

  • B) Gebieden die in het natte seizoen bij hoog water kunnen worden geïrrigeerd

Deze gebieden kunnen in het natte seizoen rond springtij minimaal vier tot vijf dagen onder water komen te staan. In feite zijn dit na ontwikkeling dus ook polders, hoewel de waterafvoer en de bescherming tegen hoog water minder kritisch is dan in de A-gebieden;

  • C) Gebieden net boven hoog water

Deze gebieden worden zelfs in het natte seizoen niet tijdens springtij overstroomd. Dit zijn dus ook geen polders, hoewel waterafvoer, met name in het natte seizoen van veel belang is;

  • D) Gebieden ruim boven hoog water

Deze gebieden hebben alleen in het natte seizoen een waterafvoersysteem nodig om overtollig water af te voeren.

Eén van de proefgebieden waarbij ik betrokken ben geweest, was het gebied bij primair kanaal 6 in het gebied Telang I. Dit is een A-gebied en dus zijn er polders. Het grote voordeel in dit gebied is, dat er sprake is van een zoetwatergetij, met een verschil tussen hoog en laag water van maar liefst drie meter. Dit biedt dus een uitstekende gelegenheid om bij hoog water in het droge seizoen te irrigeren en in het natte seizoen bij laag water het overtollige water uit het gebied af te voeren.

Het systeem van kanalen was een gecombineerd systeem, waarbij door hetzelfde kanaal in het droge seizoen de wateraanvoer kon worden gerealiseerd en in het natte seizoen de waterafvoer. Het primaire kanaal lag tussen twee rivierarmen en stond met de rivier in open verbinding, zodat de scheepvaart ongehinderd plaats kon vinden. In de aansluiting van de secondaire kanalen met het primaire kanaal was een bedienbare stuw. Hetzelfde was het geval bij de aansluiting van de tertiaire kanalen op de secondaire kanalen. Wanneer deze stuwen goed bediend werden was dus een optimaal waterbeheer mogelijk.

De polders in het gebied waren omgeven door dijkjes om tijdens hoog water op de rivier en in het primaire kanaal te voorkomen dat het water naar binnen zou stromen. Een ander voordeel was dat stormen nagenoeg niet optraden, zodat er vrijwel geen sprake was van opstuwing.

Toen de boeren zich aan het eind van de zeventiger jaren in dit gebied vestigden kregen zij een houten huisje, één hectare grond geschikt voor rijstveld die ontdaan was van begroeiing, één hectare waar ze zelf de begroeiing moesten verwijderen, voordat ze rijst konden telen, en een kwart hectare voor home yard bij hun huisje, waar ze groente en fruit konden telen. De boeren die in het gebied gevestigd werden kwamen meestal uit het overbevolkte Java. Langs een tertiair kanaal zaten in dit gebied maximaal zestien boeren.

In de beginjaren oogsten de boeren ongeveer een ton rijst per hectare. Wat genoeg was voor hun eigen consumptie, maar waarmee ze nog niet veel geld verdienden. Toen we in 2004 erbij betrokken raakten hadden verschillende boeren zich echter al goed ontwikkeld en enkelen al land overgenomen van boeren die inmiddels weer vertrokken waren. De grootste boer had zelfs al land van vier boeren overgenomen en was dus een grote boer geworden.

In het kader van een bilateraal Indonesisch–Nederlands project kregen we de mogelijkheid om in drie proefgebieden – in feite de boeren bij een tertiair kanaal – met deze boeren beter waterbeheer te ontwikkelen, teneinde een betere rijstoogst te verkrijgen. Daarbij was het ook de bedoeling dat de boeren van één naar twee rijstoogsten per jaar zouden gaan. In goede samenwerking met onze Indonesische collega’s en de boeren is dit gelukt.

Toen ik in 2014 voor de laatste keer het gebied bezocht had de beste boer tien ton per hectare van zijn eerste rijstgewas en ook een goede oogst, circa zes ton, van zijn tweede rijstgewas. De andere boeren zaten tussen de zes en acht ton voor hun eerste gewas en begonnen ook met een tweede rijstgewas. Aan de betere stenen huizen met glazen ramen die ze inmiddels gebouwd hadden was hun verbeterde situatie ook goed af te lezen. De beste boer had inmiddels zelfs een auto, waarmee hij alleen op de toegangsweg heen en weer kon rijden, maar wel de nodige zaken kon vervoeren, waarmee hij ook weer geld verdiende. Ik ben eigenlijk wel benieuwd hoe het hen sindsdien verder vergaan is.

 

Alle rechten voorbehouden

Media