Als de omroeper rondging dat je kinderen op kon halen uit zo’n tjalk, ging heel Urk er naartoe en dan kon je een paar kinderen meenemen voor die nacht. Dan ging die tjalk de volgende dag weer verder. Die kinderen waren onderweg naar Friesland. Het was dus voor een nacht, en soms voor een week. Dat lag aan het weer, want dan waren die kinderen doodziek. Ze kwamen van Amsterdam en Rotterdam af en hadden dan ergens onderdak nodig.
Wij hadden toen een paar jongens gehad en toen kwam later de politie aan de deur. Wij hadden erg veel Urker goed [klederdracht] en die [jongens] hadden al het goud en zilver gestolen, oorijzers en dingen. Die hadden ze in Amsterdam proberen te verkopen. Zodoende kwam de politie hen op het spoor. Toen zei m’n vader: "dat moet over wezen. Ik ga in het vervolg zélf [om kinderen op te halen in de haven, red]".
Dus weer de omroeper door het dorp. Mijn vader ging zelf. Er was een klein kindje van een maand of negen. Zegt m’n vader: "díe kan niet stelen. Die neem ik!" Maar wat gebeurde er? Mijn vader pakt dat kindje op en er vliegt een meisje op dat zegt:
"Ik heb m’n moeder beloofd dat ik op m’n zusje zou passen!"
"Nou kind, dan ga jij ook maar mee." Daar kwam nog een meisje aanrennen en die zegt: "Ik wil bij m’n zusjes blijven!" En ze hadden ook nog een broertje. Dat daar kwam mijn vader met het hele koor. En die zijn dus tot na de bevrijding gebleven, dat hele koor. Dan weet u al hoe of wij sliepen, met zoveel volk. En dat kon ook. Op een of andere manier kon het, hóe weet ik ook niet.[...]
In 1964 kwamen ze nog, toen ik ben getrouwd. En als mijn moeder naar Amsterdam ging, elke week. Nu hebben we geen contact meer met ze.