M’n bèbe z’n huisje werd op een gegeven moment veel te klein voor ons. Toen zijn we verhuisd. We hebben toen een jaar of drie, vier op de haven gewoond. Onderaan het oogje van de slager. Dat was ook maar een klein huisje. Toen had mijn vader gelezen en gehoord dat er nieuwe huizen gebouwd zouden worden. Flats, in de Boterbloemstraat. De eerste paar jaar heette het Wijk 9. Urk was toen zo groot als Wijk 8. De buitenste rand van Urk was de Singel, waar de pastorie van dominee Posthumus stond en waar de Petrakerk staat. Dat was Wijk 8.
Mijn vader had dat gehoord en die ging naar mijn oom toe, met wie hij samen een schip had. Mijn oom was de oudste, dus die had het geldkistje in huis. Je had natuurlijk geen banken waar je je geld kon brengen. En mijn vader zei:
"We moeten eens even kijken hoeveel geld daarin zit, want ik wil een nieuw huis. Ik bin er mie an [ben het zat] met die kleine huisjes, ik wil de vrouw een nieuw huis geven."
"Nou," zegt mijn ome Derrek, "er zit geld genoeg in en dan ga ik met je mee, dan gaan we er meteen achteraan." ’s Avonds kwamen ze in huis en hadden ze de zaak getekend en hadden ze dus een huis gekocht. We waren de tweede die in dat plan kwamen te wonen. De eerste was de familie Kramer, van de Paddestoel. Toen kwamen wij met mijn ome Derrek en tante Derrekien. We woonden naast elkaar.
De mensen hadden beklag met ons. We gingen naar de Wilhelminaschool bij de vuurtoren. Fietsen waren er niet. Er kwamen nog een paar bewoners en dan gingen we in groepen naar school. De mensen zeiden:
"Och, die arme kiengeren, die moeten helemaal vanuit Lemmer komen!"
Als het slecht weer was, moesten we eerst voor schooltijd bij tantes of bij buren vragen of we daar tussen de middag een boterham mochten eten, want dan kon je toch niet heen en weer terug lopen. Zo ver was dat.
We waren met een lekker groepje, dus we hadden best wel veel pret onderweg, maar ja, het was wel een verschrikkelijk eind lopen. Je moest het vier keer op een dag lopen. Nu zeg je: het was tien minuten, hooguit een kwartier!! Nu is het dichtbij!
Zondags moesten we naar de kerk. Het was een woeste vlakte met klei en wat ijzeren platen. Waar nu de Petrakerk staat, stond toen Patrimonium. Zo’n houten gebouw. Als wij naar de kerk gingen konden we geen schoenen aan, want dan zaten ze onder de blubber. Aan de Singel woonden hele goede kennissen van ons. Dan hadden we onze laarzen aan en de schoenen onder onze arm, en dan gingen we bij tante Naalke in de schuur onze schoenen aantrekken, voordat we naar de kerk gingen. Dus we hebben echt gepionierd!
Nu geldt het als het Oude Dorp, maar tóen was het zo enorm groot. Aan de voorkant keken we zo op het weiland van Tiemen Roos, en dat was echt aan de buitenste rij van Urk.