Een neerslagreeks van bijna driehonderd jaar

Voor polders, die door de dijk erom heen zijn afgescheiden van het water in de omgeving, vindt de aanvoer van water vooral plaats door de neerslag en de kwel. Daarnaast kan wateraanvoer door irrigatie, of door lekwater bij bijvoorbeeld schutsluizen plaatsvinden.

Wateroverlast in de Gordiaan in Lelystad door een zware bui in 1998

Wateroverlast in de Gordiaan in Lelystad door een zware bui in 1998 (foto Bart Schultz)

Alle rechten voorbehouden

Over kwel heb ik eerder een bijdrage geleverd aan Flevolands Geheugen. Deze keer de neerslag. Hierbij zijn vooral van belang de jaarlijkse neerslag en de neerslag onder maatgevende omstandigheden. De jaarlijkse neerslag en de fluctuatie erin is vooral van belang om te kunnen bepalen hoeveel water jaarlijks door de uitwateringsluizen of de gemalen moet worden afgevoerd. Daarnaast is de fluctuatie gedurende een jaar van belang om te kunnen bepalen hoe goed het gewenste waterpeil in een polder kan worden gehandhaafd.

De neerslag onder maatgevende omstandigheden is vooral van belang om te kunnen bepalen hoeveel water onder dergelijke omstandigheden in de waterlopen van de polder moet kunnen worden geborgen in combinatie met de af te voeren hoeveelheid water. In een aantal polders met een bovengrond van klei kan tijdens maatgevende omstandigheden ook veel berging in de grond plaatsvinden. Dit is, onder andere, door de kleigronden met veel scheuren erin in polder Flevoland het geval.

Van belang is dus het beschikbaar zijn van langjarige neerslagmetingen. Dit is in ons land doorgaans het geval. Zo is er een reeks van 1735 tot heden beschikbaar met metingen die van 1735 tot en met 1866 in Huize Zwanenburg in Halfweg zijn waargenomen en van 1867 tot en met 2024 in Hoofddorp.

Een probleem was hierbij wel dat vroeger andere regenmeters werden gebruikt dan tegenwoordig en dat dit invloed had op de gemeten waarden. De oudere metingen zijn door een voormalige medewerker van het KNMI, A. Labrijn, gecorrigeerd. In de waarden is een geleidelijke stijging te zien van gemiddeld 680 tot 890 millimeter per jaar.

Zoals gezegd is voor het bepalen van de afmetingen van het waterbeheersingssysteem de neerslag onder maatgevende omstandigheden bepalend. Hierbij werd doorgaans uitgegaan van de hoogste neerslag per dag in een jaar, op basis waarvan vervolgens met een kansverdeling werd bepaald hoe extreem de neerslagen waren.

De dagcijfers waarop bovengenoemde reeks is gebaseerd zijn alleen voor Hoofddorp direct beschikbaar. Op basis van deze cijfers heb ik de reeks van de hoogste dagcijfers bepaald. Deze cijfers lopen uiteen van 11,7 mm/dag (millimeter per dag) in 2022 tot 68,3 mm/dag in 1972. In de cijfers blijkt dus een grote marge te zitten, zoals aan de verdeling van deze cijfers kan worden afgeleid.

Over heel Nederland heeft het KNMI een waarnemingsnet bestaande uit 51 automatische weerstations, waarvan 37 op het land en 14 op zee, en 300 regenmeters die elke ochtend om 8 uur handmatig door vrijwilligers worden afgelezen. Sinds het begin van dit jaar heeft het KNMI een begin gemaakt met het vervangen van de handregenmeters.

De bemalingscapaciteit voor de polders in Nederland loopt, afhankelijk van de lokale situatie, nogal uiteen, maar bedraagt gemiddeld zo’n 15 mm/dag. Wanneer we dit vergelijken met de hoogste dagcijfers per jaar voor de neerslag, zoals ik hierboven heb weergegeven voor Hoofddorp, dan blijkt dat in zo’n negentig procent van de gevallen de meeste neerslag per dag per jaar minder dan 45 mm/dag bedraagt, wat dan in drie dagen kan worden uitgemalen, en dat het dus kan zijn dat zo’n 30 millimeter tijdelijk in de polder moet worden geborgen om in de volgende twee dagen te worden uitgemalen.

Hierbij spelen echter nog twee andere factoren. Allereerst moet ook rekening worden gehouden met de neerslag die er voorafgaand en na afloop van de piekdag  nog bijkomt; dit kan dus de uit te malen hoeveelheid verhogen. Het is echter ook zo dat extreme buien vaak lokaal vallen en dus, zeker bij de grotere polders, niet op het gehele polderoppervlak zullen vallen, wat weer een reducerend effect kan hebben.

Als inwoner van Lelystad sinds 1973 en geïnteresseerd in het waterbeheer ben ik een aantal keren op relevante plaatsen gaan kijken als zich een zware bui voordeed of juist was gevallen. Eigenlijk heb ik maar één keer een kleine vorm van wateroverlast gezien en dat was bij winkelcentrum de Gordiaan in 1998. Daar lag toen nog een verdiept stuk weg, dat overigens later is aangepast. Daar heeft een keer enkele uren water gestaan dat door de brandweer is weggepompt.

Ook heb ik enkele keren gezien dat de straatkolk voor mijn huis, door welke de neerslag op de weg naar het regenwaterriool wordt afgevoerd, het niet meer aan kon, en dat het water tot aan de rand van het trottoir kwam. Dat was doorgaans binnen een uur verdwenen.

Ook is in Lelystad in dit verband de stuw in de stadsgracht aan de noordkant van de Buitenplaats een interessant punt. Daar kun je zien hoe hoog na een zware bui het water bij een belangrijk afvoerpunt van de stadsgrachten kan staan, die voor het merendeel een peil hebben dat 80 centimeter boven het polderpeil in de waterlopen in het omringende landelijke gebied ligt. Hier heb ik nooit meer dan zo’n 20 centimeter verhoging gezien. Al met al lijkt het er dus op dat het waterbeheersingssysteem van Lelystad goed in staat is om extreme buien te verwerken. 

For an English version of this article please click A rainfall series of almost three hundred years

Alle rechten voorbehouden

Media