Soorten dijken en hun naamgeving

Dijken vormen een essentieel onderdeel in de bescherming tegen overstromingen van het overstroombare deel van Nederland. Een belangrijk onderscheid kan worden gemaakt in primaire dijken en regionale dijken.

Zeedijk langs de noordkust van Friesland

Zeedijk langs de noordkust van Friesland (foto Bart Schultz)

Alle rechten voorbehouden

Er zijn veel verschillende soorten dijken. Onderscheid kan bijvoorbeeld worden gemaakt in de functie van de dijk, het materiaal waaruit de dijk is opgebouwd, en de ligging van de dijk. Zo bevat het handige boekje Polderlands – Glossarium van waterstaattermen maar liefst zo’n vijfenvijftig namen voor dijken, waarbij voor verschillende namen er ook nog varianten op zijn. Hierbij spant de kroon het woord dwarsdijk, dat staat voor “een waterkering dwars op de stroomrichting, ter wering van water uit hoger gelegen gronden”. Van dit type dijk zijn er in het boekje acht varianten, te weten: delingsdijk, stouwedijk, stuwdijk, wendeldijk, zijdeldijk, zijdwendige dijk, zouwe en zuidwende.

Een goede tweede is het woord binnendijk - een dijk zonder waterkerende functie - met als varianten  achterdijk, droge dijk, indijk, mallendijk, middeldijk en mieldijk.

Hoewel namen ook verschillende betekenissen kunnen hebben komt in de naam één van de betekenissen doorgaans duidelijk naar voren. Denk maar aan rivierdijk en zeedijk. Deze dijken liggen duidelijk langs een rivier of aan de zee, maar hebben natuurlijk ook en vooral een waterkerende functie. Bij de rivierdijken kan onderscheid worden gemaakt in winterdijk en zomerdijk. Een winterdijk is de dijk die het achterland zomer en winter tegen hoog rivierwater beschermt. Zomerdijken beschermen het achterliggende land tot aan de winterdijk alleen tegen hoge zomerwaterstanden. Een zeedijk wordt ook wel vloeddijk of wakerdijk genoemd.

Kijken we naar de functie van de dijk, dan komen de meeste namen naar voren. Een bandijk is een dijk die het winterbed van een rivier begrenst. Buitendijken, uiterdijken, oeterdijken en uitdijken beschermen het achterland tegen het buitenwater. Een buitenringdijk doet dit voor een aantal gebieden. Een Deltadijk beschermt het achterland op het niveau zoals dat is voorgeschreven in de Deltawet.

Een dijkring of omringdijk betreft het geheel van hoofdwaterkeringen dat een droogmakerij of een gebied omringt. Een halsdijk of verkortingsdijk betreft een rechte dijk tussen vooruitstekende landpunten die de binnenwaarts gelegen zeedijk vervangt. Een schaardijk, schoordijk of schuurdijk is een rivierdijk die zonder voorland aan een rivier ligt. Een schenkeldijk, schinkeldijk of opdijk is een dijk die twee andere dijken met elkaar verbindt. Een slachtedijk is een secondaire dijk. Een stuifdijk is een zanddijk om vergroting van bestaande duinformaties of verplaatsing van de duinvoet te verkrijgen.

Voor wat betreft het materiaal waaruit de dijk is opgebouwd zijn er bijvoorbeeld de volgende namen: aardendijk, asfaltdijk, grasdijk, palendijk, stenendijk, trapdijk, veendijk, en zanddijk. Kijken we echter iets verder, dan kunnen er onder de naam verschillende functies zijn. Zo kan een veendijk zijn opgebouwd uit veen, maar ook een dijk door het veen zijn, of een dijk die water vanuit het veen tegen houdt.

Een variant op dit type namen vormt: baardijk of heemdijk, palendijk, pakdijk, platendijk, schermdijk, of wierdijk. Dit zijn dijken met respectievelijk een voorland, beschermd door palen, door een stapeling van rijshoutbossen, door een beschoeiing met platen of dikke planken, door een kwelscherm of damwand, of door een stapeling van zeegras.

De ligging van de dijk komt duidelijk naar voren in de volgende namen: oudelandsdijk, overdijk, rivierdijk, vaartdijk, zeedijk en zoutedijk. De laatstgenoemde beschermt het achterliggende land tegen zout buitenwater. In deze groep valt ook de uitlaagdijk of uitlegdijk, want het zijn buitenwaards verlegde dijken.

Ook kan de methode van aanleg in de naam worden weergegeven, zoals bijvoorbeeld bij aanleundijk, plempdijk en velddijk. De eerste is een dijk die is aangelegd achter een al eerder aangelegde kleinere dijk, die daarna als buitenteen fungeert. De tweede is een dijk die in het water is opgeworpen. De laatste is een deel van een dijk dat geheel uit aarde bestaat.

Ook kan de naam slaan op de onderhoudsplicht, zoals bij evendijk en hevendijk. Dit zijn dijken waarbij het onderhoud door verevening is vastgesteld.

Dan zijn er enkele dijken met een unieke functie, zoals een aanzetdijk die gelegd is tussen een vaste oever en een later te sluiten stroomgeul. Een hemdijk verbindt een slaperdijk met een wakerdijk. Een overlaatsdijk is een gedeelte van een dijk dat als overlaat dient. Een sasdijk of sluisdijk ligt tussen de deuren of deurstellen bij een groene sluiskolk.

Tenslotte zijn er dijken die hun functie verloren hebben, zoals dromerdijk en slaperdijk. In zekere zin moet hier ook de versedijk worden genoemd, want dit is een dijk die door voorbedijking niet langer het zoute water keert.

Alle rechten voorbehouden

Media