De Polder van Nootdorp

De eerste droogmakerij die met alleen een stoomgemaal is drooggemaakt

Droogmakerijen zijn polders die zijn ontstaan door het droogmaken van gebieden die voordien permanent onder water stonden. Dit betekent dat van het begin af aan bemaling nodig is om het overtollige water uit te malen.

Ontwerp van inrichting en verkaveling van de Nootdorpsche droogmakerij 1841

Ontwerp van inrichting en verkaveling van de Nootdorpsche droogmakerij 1841 (bron: Nationaal Archief, Inv. nr. 15094)

Alle rechten voorbehouden

Aanvankelijk gebeurde dit door windmolens. In de eerste droogmakerijen betrof het één, of meerdere molens. Toen men aan het eind van de 16e eeuw overging tot het droogmaken van diepere meren werden de molens in serie geplaatst, de molengang. Een dergelijke molengang kon zelfs bestaan uit vier windmolens, zoals het geval is bij de nog werkende molengang in Aarlanderveen.

Aan het begin van de 19e eeuw is een begin gemaakt met de toepassing van stoombemaling voor het droogmaken van meren en plassen. Aanvankelijk werden de stoomgemalen in combinatie met windmolens toegepast. Het eerste voorbeeld hiervan is de droogmaking van de Zuidplaspolder van 1828 tot en met 1840. Bij deze droogmaking werd toepassing van uitsluitend stoombemaling nog niet aangedurfd, en werd in aanvulling op de windmolens een vrij klein hulpstoomgemaal gebouwd.

Het gebied waarin de polder van Nootdorp ligt bestond vooral uit de Nootdorpse plassen, die waren ontstaan door vervening. Enkele van deze plassen zijn nog aanwezig. Voorafgaand aan de daadwerkelijke inpoldering zijn er de nodige discussies geweest hoe deze inpoldering, en met name de bemaling gerealiseerd zou moeten worden.

Uiteindelijk is besloten om de polder met alleen een stoomgemaal droog te maken. De Polder van Nootdorp – 1.138 hectare, drooggemaakt in de periode 1840–1844 - komt daardoor de eer toe dat dit de eerste polder is geweest die uitsluitend met een stoomgemaal is drooggemaakt en vervolgens bemalen. Direct daarop is de veel grotere Haarlemmermeerpolder – 18.100 hectare – tussen 1848 en 1852 met drie stoomgemalen – Leeghwater, Lijnden en Cruquius – drooggemaakt. Daarna heeft de stoombemaling zowel bij nieuwe droogmakingsprojecten als in bestaande polders, bedijkingen en droogmakerijen, geleidelijk de windmolens vervangen.

Het stoomgemaal van de Polder van Nootdorp is in 1841 gebouwd. Het heeft tot en met 2004 gefunctioneerd. In 1863 is de stoommachine vervangen door twee nieuwe stoommachines die op hun beurt in 1927 zijn vervangen door een elektromotor. Na een brand in 1980 is deze motor vervangen door een nieuwe elektromotor.

Het gemaal was oorspronkelijk voorzien van twee vijzels één voor een hoog peilgebied en één voor een laag peilgebied. Door de jaren heen zijn er enkele aanpassingen en verbeteringen in de vijzels aangebracht. In 1916 zijn de vijzels vervangen door een centrifugaalpomp. Uiteindelijk had het gemaal een capaciteit van 96 kubieke meter per minuut, ofwel 12 millimeter per dag gerekend over het oppervlak van de polder. Dit is een veel voorkomende waarden voor een landbouwpolder.

In 2004 is het gemaal vervangen door een ernaast gebouwd schroefpompgemaal met een capaciteit van 150 kubieke meter per minuut, waarmee de capaciteit uitkwam op 19 millimeter per dag. Deze verhoogde capaciteit is zeker nodig, onder andere, omdat de polder inmiddels behoorlijk verstedelijkt is en de Rijksweg A12 er doorheen loopt.

Sinds het gereed komen van de droogmaking in 1844 is de Polder van Nootdorp vooral na de Tweede Wereldoorlog min of meer volledig veranderd van een landbouwpolder in een polder met meervoudig grondgebruik, waarbij vooral een belangrijke verstedelijking heeft plaatsgevonden. Hoewel in 2004 de capaciteit van de bemaling aanzienlijk is vergroot, moet bij de zwaardere zomerbuien waarmee we tegenwoordig regelmatig worden geconfronteerd en het inmiddels relatief grote verharde oppervlak toch worden gewaakt dat het waterbeheer naar behoren zal blijven functioneren.

Alle rechten voorbehouden

Media