De keerzijde van de vele experimenten op Lelystadse scholen

Niet voor ieder kind was het vernieuwende onderwijs even heilzaam. Mevrouw Ockhuijzen vertelt van de problemen die het progressieve onderwijssysteem voor haar opleverde:

Onderwijs, begin jaren tachtig

Onderwijs, begin jaren tachtig (foto Jan Blom, bron Batavialand).

Alle rechten voorbehouden

Je zat met verschillende leeftijden bij elkaar op school. Ik kan me herinneren dat dat heel moeilijk was. Ik kon me altijd heel moeilijk concentreren en ik was daar toch niet zo vreselijk vlot in. Ik was natuurlijk al een paar keer veranderd van school, dus dan ben je daar al gevoelig voor. Ik heb daar heel veel moeite mee gehad, vooral in het begin. Want het ging overal altijd weer anders. Het lokaal was opgedeeld in vieren. Vier groepen had je. Daar zat geen tussenwand, niks tussen. Je had maar één leerkracht, die daar dus tussenin schipperde. Dus dan was hij bij de ene groep bezig, dan bij de andere en wie dat in het begin was, dat weet ik niet meer hoor. Of dat al meteen meester Kuper was, ik denk het niet. Je had in principe maar heel weinig aandacht.

Het was echt rommelig. Het was er heel gezellig, maar ook heel rommelig. En het groeide natuurlijk ook ontzettend snel. In het begin waren er, geloof ik, zes kinderen of zo en een paar weken daarna zaten we er al met twintig. Ontzettend hard. En al gaande, werd dat ook steeds meer gesplitst. Op een gegeven moment waren er bijvoorbeeld tien kinderen van groep 4, dus dan werd groep 4 eruit gelicht en apart gezet. Je had niet een vaste kern in een klas. Het was heel rommelig. Soms stond er elke dag wel een nieuw kind voor de klas. Dat ging heel hard. En later, toen dat wat minder werd, waren dat van die blokken. Eén keer per maand kwamen er dan nieuwe kinderen bij. En gingen er kinderen af. Totdat er gewoon normaal gesplitst kon worden.

Die scholen waren voor mij een minpunt. Dat vond ik heel jammer. Er waren een heleboel kinderen die dat prachtig vonden, die ook goed konden leren en die dat zonder moeite accepteerden. Maar omdat ik, zeker toen, de leerstof vrij moeilijk oppakte en daardoor concentratiestoornissen had, heb ik daar heel veel moeite mee gehad. En meester Kuper heeft mij daar eigenlijk uitgesleept en mij er weer bovenop gekregen. Dat heeft echt heel veel moeite gekost. Maar die had daar oog voor.

Ik moet zeggen: dat was gewoon een fantastische leerkracht. Hij had niet zulke vreselijk grote klassen en had dus de mogelijkheid om er mensen tussen uit te halen die er moeite mee hadden en die zodanig op te vijzelen dat ze op eigen benen kwamen. Met al die jaren van dat wisselen is het gewoon ondergesneeuwd. Omdat je zo vaak wisselde van lokaal, van leerkracht en van school, werd daar heel weinig aandacht aan besteed.

Bron: Batavialand te Lelystad, project Pioniers: eerste bewoners, interview met mevrouw Mena Ockhuijzen-Koudstaal, 15 november 1995.

Alle rechten voorbehouden