Drie karakteristieke gebieden in het benedenstroomse deel van Mesopotamië

Mijn zoektocht naar de oudste polder op aarde vordert gestaag.

Oever van een afvoerkanaal

Oever van een afvoerkanaal, met de uitgegraven grond erop. Hoogte boven water is ongeveer 2 meter (bron: Pournelle et al., 2012)

Alle rechten voorbehouden

In één van mijn voorgaande bijdragen aan Flevolands Geheugen over Irrigatie en Tells in Mesopotamië heb ik gemeld dat deze polder zeer waarschijnlijk in het benedenstroomse deel van Mesopotamië moet hebben gelegen. In dat verband stuitte ik op twee interessante artikelen van respectievelijk Carrie Hritz et al. (2012) en Carrie Hritz en Jennifer Pournelle (2014).

In deze artikelen wordt beschreven dat de bloei van de vroege Sumerische beschaving een mate van economische differentiatie, sociaal-politieke complexiteit en verstedelijking vertoonde die ongekend was in de antieke wereld. Hritz en Pournelle stelden dat er drie complementaire hulpbronnen in het gebied waren die een voordeel boden en zo de basis legden voor deze ontwikkelingen: 1) uitgestrekte irrigeerbare vlakten; 2) uitgestrekte weidegronden; 3) kustgebieden met daarin moerassen achter de oeverwallen en deltamoerassen.

In de artikelen presenteerden de auteurs de resultaten van onderzoek in het gebied van de Hawr al-Hammar-moerassen en gaven ze een korte beschrijving van de drie soorten gebieden.

Het eerste, meest bovenstroomse, gebied met Bagdad in het noorden, de huidige loop van de Tigris in het oosten, de Eufraat in het westen en de oude stad Kish in het zuiden, werd gekenmerkt door natuurlijk vertakkende rivierarmen en kanalen, intensieve landbouw en irrigatie. Het hoogteverschil over een afstand van 100 kilometer tussen Bagdad in het noorden en Hilla in het zuiden bedroeg twee meter. Het westelijke deel van de vlakte werd doorsneden door voormalige en huidige riviertakken van de Eufraat, die over het algemeen van noordwest naar zuidoost liepen.

De grote, primaire riviertakken van de Eufraat domineerden dit gebied gedurende de hele oudheid. De afvoer van deze riviertakken werd bepaald door het microreliëf van de vlakte. In het zuidoosten, richting de huidige loop van de Tigris, daalde het terrein drie meter, om vervolgens weer omhoog te lopen naarmate het de rivier naderde. Hierdoor voerden alle waterlopen en kanalen in dezelfde richting af, en vormde een laagte ten zuidwesten van Bagdad vaak een seizoensafhankelijk moerasmeer.

Voor het begin van de bewoning en irrigatie gaan de genoemde auteurs uit van het begin van het 4e tot het einde van het 3e millennium v.Chr. Ze vermelden dat er een lang afwateringskanaal was dat ten zuidwesten van een oeverwal liep. Ze geven echter ook aan dat er sprake was van wateroverlast, verzilting en regelmatige overstromingen. Het lijkt er daarom op dat het afwateringskanaal overtollig water door zwaartekracht stroomafwaarts afvoerde en dat er nog geen polder was gevormd.

Het tweede gebied - Oud-Sumer - lag in het hart van het benedenstroomse deel van Mesopotamië. Hier waren de verschillen in microreliëf veel groter. Dit gebied was in het westen begrensd door de Hillah- en Hindiyah-takken van de Eufraat, in het oosten door de Tigris, in het noorden door de overblijfselen van de Shatt al-Nil en tot het begin van de huidige jaartelling in het zuiden door uitgestrekte moerassen.

In het westen zorgde de afvoer van twee grote takken en talloze kleinere takken van de Eufraat, in combinatie met menselijke activiteit om het water te beheersen, voor een omgeving die neigde naar moerasvorming.

In het centrale deel werd het landschap gekenmerkt door vlakke akkers, afgewisseld met duinenrijen die bestonden uit losse, door de wind meegevoerde grond afkomstig van open velden en oude riviertakken. In de loop der tijd hadden cycli van menselijke activiteit gericht op landbouwuitbreiding, gevolgd door toegenomen winderosie van de geploegde grond, bijgedragen aan afwisselende perioden van behoorlijke sedimentatie en erosie, met bijbehorende verschuivingen van de duinen.

In het gebied lagen drie eeuwenoude grote oeverwallen langs de Eufraat, gelegen op het kruispunt tussen het huidige landbouwgebied en de woestijn – een gebied dat onderhevig was aan behoorlijke winderosie, maar ook aan voortdurend gebruik en hergebruik. De eeuwenoude oeverwallen dateren uit het derde tot eerste millennium v.Chr. Ook beschrijven Hritz en Pournelle dat de verdeling van het irrigatiewater over de riviertakken en de kanalen strikt werd gereguleerd om water te besparen en overstromingen te voorkomen. Zie in dit verband ook mijn bijdrage aan Flevolands Geheugen over De wetgeving door Hammurabi, koning van Babylon.

Ten slotte stroomde overtollig water weg naar een opvangbekken, waardoor bodemverzilting werd tegengegaan. In dergelijke irrigatiesystemen op basis van zwaartekracht was sprake van zogenaamde visgraatlandschappen, vergelijkbaar met die in de lager gelegen gebieden van het eerste gebied.

Het derde gebied - de Zeelanden – lag verder naar het zuiden, in het laagste en vlakste deel van de delta. Hier domineerden tot het begin van de huidige jaartelling, toen ze systematisch werden ingepolderd, rietmoerassen, meren, zoutmoerassen, lagunes, wadplaten en zoutpannen, waar het water van Mesopotamië zich verzamelde en uiteindelijk in zee stroomde.

De grootte en verdeling van de gebieden in de waterige lappendeken veranderden in de loop der tijd. Veranderingen waren afhankelijk van de regenval in de bovenloop van de rivieren, de moessons die de winter- en vroege zomerregens aan het begin van de Perzische Golf beïnvloedden, de instroom en terugtrekking van zeewater, de sedimentaanvoer en afzetting door de rivieren, en het watergebruik bovenstrooms voor irrigatie.

Voor dit gebied gaan Hritz en Pournelle ervan uit dat rond 6000 v.Chr., tegen het einde van wat de eerste periode van substantiële bewoning lijkt te zijn geweest in Tell el-'Oueili, door de zeespiegelstijging de kop van de Perzische Golf tot aan het huidige Basra reikte. De precieze grenzen van de kust uit die tijd zijn onduidelijk, maar het is duidelijk dat de zee in de loop van de volgende twee millennia, op haar hoogste niveau, een groot deel van het zuiden van het huidige Irak overspoelde.

In de resulterende binnendelta ontstond een dynastie op die bekend staat als de Zeelanden, zoals blijkt uit spijkerschriftteksten uit het midden van het tweede millennium v.Chr., maar vergelijkbare omstandigheden bestonden waarschijnlijk al vanaf het begin van het leven in steden in deze regio, twee millennia eerder. Zo lijkt bijvoorbeeld de grote stad Uruk te zijn ontstaan uit afzonderlijke, parallelle nederzettingen die gesticht waren op de hoger gelegen moerassige gronden in de takken van de delta, waar een hoofdtak van het Tigris-Eufraat-riviersysteem, die er toen was, uitmondde in uitgestrekte moerassen langs het begin van de Perzische Golf.

Nadere informatie over de polders in Irak en Iran, waarin de Mesopotamische vlakte ligt, en de volledige referenties kunnen worden bekeken en gedownload van de website: https://www.batavialand.nl/kennis-en-collecties/waterbeheer-en-polders/.

Alle rechten voorbehouden

Media