Bodemdaling in de polder Flevoland

De laatste tijd verschijnen verschillende mededelingen en onderzoeken over de bodemdaling in de polder Flevoland. Dit speelt ook in relatie tot de nieuw te bouwen kern Almere Pampus.

Zandophoging van een van de eerste bouwterreinen van Almere

Ophoging van een van de eerste bouwterreinen van Almere met een meter zand (foto Bart Schultz)

Alle rechten voorbehouden

Bij verschillende van deze mededelingen was ik enigszins verbaasd, omdat er geen blijk van werd gegeven dat men op de hoogte was van de bestaande kennis op dit gebied. Nu is dit in onze jachtige wereld wel vaker het geval, maar deze keer voel ik toch de behoefte om het proces van bodemdaling nader toe te lichten.

In verband met bodemdaling zijn er belangrijke verschillen tussen klei en veen. Bij de kleigronden in de polder Flevoland is de bodemdaling een eindig proces. In het begin van de ontginning ging het behoorlijk snel en later steeds langzamer, tot het uiteindelijk stopt. Bij de voormalige Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (RIJP) gingen wij er destijds van uit dat dit na circa honderd jaar het geval zou zijn, maar dat het leeuwendeel in de eerste dertig jaar zou plaatsvinden. Hierbij hadden we dan in het landelijke gebied wel een bodemdaling van bijna een meter tot circa 1,25 meter achter de rug. Als er een oude geul in het onderliggende zand aanwezig was kon het nog meer zijn.

De relevante processen zijn jarenlang gevolgd door R.J. de Glopper en in 1973 door hem beschreven in Subsidence after drainage of the deposits in the former Zuyder Zee and in the brackish and marine forelands in The Netherlands.

Om gedurende zomer en winter te kunnen bouwen werden de stedelijke gebieden voorafgaand aan de bouw doorgaans opgehoogd met een meter zand en werden de bouwterreinen gedraineerd. Door het gewicht van het zand trad een extra bodemdaling van zo’n vijftig centimeter op. Er werd bij voorkeur pas met de bouw begonnen als er zo’n tachtig procent van de bodemdaling geweest was. Omdat de bebouwing op palen in de zandondergrond gefundeerd werd en dus niet meer zakte, maar de bodem er omheen wel moesten de huisaansluiting flexibel worden uitgevoerd, zodat ze de resterende bodemdaling konden volgen.

De RIJP heeft er altijd veel waarde aan gehecht dat goed werd beschreven hoe de IJsselmeerpolders zijn ontgonnen en ontwikkeld. Voor de polder Flevoland is dit naast bovengenoemde publicatie door De Glopper onder andere ook gebeurd in de boeken Oostelijk van de Knardijk en Westelijk van de Knardijk. Daarnaast zijn er vele Van Zee tot Land-publicaties, Flevoberichten, RIJP-rapporten en Werkdocumenten, alsmede een veelvoud aan artikelen in de vakliteratuur. Al deze publicaties zijn keurig gearchiveerd bij Museum Batavialand. Het lijkt mij zinvol om van de relevante publicaties kennis te nemen als men bij de verdere ontwikkeling van de Flevopolder wordt betrokken. Het wiel hoeft dan niet opnieuw te worden uitgevonden.

In de polder Flevoland waren slechts in beperkte mate veenlagen aanwezig, zodat deze eigenlijk geen belangrijke rol speelden. In de vele veenpolders die Nederland kent is dit echter wel het geval. Hierbij is sprake van inklinking en oxidatie van het veen. In de meeste veenpolders is daardoor sprake van een bodemdaling van ongeveer een centimeter per jaar, waardoor de totale bodemdaling in de oudere veenpolders nu ongeveer vijf meter heeft bedragen.

Eén van polders waar dit deze bodemdaling het grootst is, is de Zuidplaspolder. In een eerdere bijdrage aan Flevolands Geheugen over De Lammefjordpolder en de Zuidplaspolder, de diepste polders in Europa heb ik over de situatie in deze polder geschreven. In deze polder ligt het diepste punt van Nederland en is een zeer dik veenpakket aanwezig. Toch wil men hier 8000 woningen gaan bouwen. Hierop is zeker het gezegde van toepassing "Bezint eer ge begint". 

For an English version of this article please check Subsidence in Polder Flevoland

Alle rechten voorbehouden

Media