Polders in Oceanië

Oceanië bestaat uit Australië, Nieuw Guinea, Nieuw-Zeeland, en een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan. Alleen in Australië en Nieuw-Zeeland zijn polders aangetroffen. Daarom ga ik kort op de situatie in deze landen in.

Afvoerkanaal in een laagland gebied in Australie

Afvoerkanaal in een laaglandgebied in Australië (foto Adriaan Volker; Museum Batavialand te Lelystad, collectie Adriaan Volker)

Alle rechten voorbehouden

Australië omvat het vasteland van het Australische continent, het eiland Tasmanië en talloze kleinere eilanden. Omringd door de Indische en de Stille Oceaan, wordt Australië gescheiden van Azië door de Arafurazee en de Timorzee, en van Nieuw-Zeeland door de Tasmanzee. Het land heeft een oppervlakte van 769 miljoen hectare met een bevolking van ongeveer 25 miljoen, of 0,033 personen per ha.

Nieuw-Zeeland bestaat uit twee grote landmassa's - het Noordereiland en het Zuidereiland - en ongeveer 600 kleinere eilanden. Het land heeft een oppervlakte van 26,8 miljoen hectare, met een bevolking van ongeveer 5.2 miljoen, of 0,19 personen per ha.

Het klimaat van Australië wordt in belangrijke mate beïnvloed door oceaanstromingen, waaronder de dipool in de Indische Oceaan en de El Niño-Zuidelijke Oscillatie, die verband houdt met periodieke droogte, en het seizoensgebonden tropische lagedruksysteem dat cyclonen produceert in Noord-Australië. Deze factoren zorgen ervoor dat de regenval van jaar tot jaar aanzienlijk varieert. Een groot deel van het noordelijke deel van het land kent tropische, overwegend zomerse regenval (moesson). De zuidwestelijke hoek heeft een mediterraan klimaat. Het zuidoosten varieert van oceanisch (Tasmanië en de kust van Victoria) tot vochtig subtropisch (bovenste helft van New South Wales).

In een groot deel van het continent volgen regelmatig grote overstromingen na langdurige perioden van droogte, waardoor riviersystemen in het binnenland worden weggespoeld, dammen overstromen en grote riviervlakten in het binnenland onder water komen te staan, zoals in 2010, 2011 en 2012 in heel Oost-Australië gebeurde na de Australische droogte van de jaren 2000.

Het klimaat in Nieuw-Zeeland is overwegend gematigd maritiem, met gemiddelde jaartemperaturen variërend van 10 °C in het zuiden tot 16 °C in het noorden. De omstandigheden variëren sterk van regio tot regio, van extreem nat aan de westkust van het Zuidereiland tot bijna semi-aride in Centraal Otago en het Mackenzie Basin in het binnenland van Canterbury, en subtropisch in Northland. De zuidelijke en zuidwestelijke delen van het Zuidereiland hebben een koeler en bewolkter klimaat.

Het algemene sneeuwseizoen is van begin juni tot begin oktober, hoewel er ook buiten dit seizoen koude momenten kunnen voorkomen. Sneeuwval komt veel voor in de oostelijke en zuidelijke delen van het Zuidereiland en in de berggebieden in het hele land.

De omvang van Australië geeft het land een grote verscheidenheid aan landschappen, met tropische regenwouden in het noordoosten, bergketens in het zuidoosten, zuidwesten en oosten, en een woestijn in het centrum. Oost-Australië wordt gekenmerkt door de Great Dividing Range, die parallel loopt aan de kust van Queensland, New South Wales en een groot deel van Victoria.

G. Schrale en R.E. Desmier (1983) schrijven dat Charles Sturt in 1829 het potentieel van de riviervlakten voor landbouwontwikkeling onderkende. Zo'n vijftig jaar later werden de eerste pogingen tot landwinning ondernomen met behulp van relatief ineffectieve dijken die kleine overstromingen voorkwamen en begrazing voor tijdelijke perioden mogelijk maakten.

Tegen het begin van de 20e eeuw begon de inpoldering serieus en in 1929 waren alle geschikte moeraslanden langs het benedenstroomse delen van het Murray-Darlingriviersysteem ingepolderd. In 1940 werden de dammen in de riviermonding voltooid om getijdenintrusie te voorkomen. Sindsdien wordt het rivierpeil tussen de laatste twee stuwen ongeveer een meter hoger gehouden door gecontroleerde lozingen uit reservoirs in het bovenste deel van het stroomgebied.

The Group Polder Development van de Technische Universiteit Delft (1982) noemt twee poldergebieden in Australië. De eerste is een landbouwpolder van 5.000 ha in de monding van de rivier de Ord. De andere betreft een groep van twintig polders met een totale oppervlakte van 5.200 ha, langs het Murray-Darlingriviersysteem, die vooral zijn aangelegd voor melkveehouderij.

De gevarieerde topografie van Nieuw-Zeeland en de scherpe bergtoppen zijn grotendeels te danken aan de tektonische opheffing van het land en vulkaanuitbarstingen. Nieuw-Zeeland is lang en smal. Het land dankt zijn gevarieerde topografie, en misschien zelfs zijn opkomst boven de zee, aan de dynamische grens die zich uitstrekt tussen de Stille Oceaan en de Indo-Australische plaat.

In Nieuw-Zeeland wordt één poldergebied genoemd. Het betreft ook een landbouwpolder in de Eastern Waimea Mudflats met een oppervlakte van 3.200 ha.

In 2006 bezochten mijn vrouw en ik tijdens onze vakantie het Zuidereiland en maakten we een stop in Nelson aan de oostkant van het Waimea Estuarium. Daar bleek een groot standbeeld van Abel Tasman uit Lutjegast in Groningen te staan. Volgens de tekst onder het beeld verbleef hij tussen 13 december 1642 en 6 januari 1643 in het gebied en ontmoette hij met zijn bemanning op 19 december 1642 als eerste Europeanen de Maori. De ontmoeting moet niet slecht zijn bevallen, want naast het standbeeld is er het Abel Tasman Nationaal Park, de Tasman Baai, de Abel Tasman Coast Track en Tasman River tracks. Het is toch verbazingwekkend dat iemand uit een klein landelijk dorp in Nederland met zijn bemanning al in die tijd kans zag om over zee naar de andere kant van de wereld te komen.

Alle rechten voorbehouden

Media