Overstromingen van de Rijn in Nederland door de eeuwen heen

Nederland ligt in de delta’s van de Rijn, de Maas, de Schelde en de Eems. Van deze rivieren is de Rijn veruit de grootste, gevolgd door de Maas. De Rijn heeft een lengte van meer dan 1300 kilometer en het stroomgebied beslaat een oppervlakte van 185.000 vierkante kilometer.

 Dijk aan de noordkant van de Waal

Dijk aan de noordkant van de Waal twee dagen voor de piek van het hoge water in 1995 (foto Bart Schultz).

Alle rechten voorbehouden

De Rijn is zowel een regen- als een smeltwaterrivier, hoewel de bijdrage aan smeltwater geringer wordt door de afname van de sneeuw en gletsjers in Zwitserland. Met 65% levert de Rijn veruit het grootste deel van het oppervlaktewater in ons land. De gemiddelde afvoer bij Lobith – waar de rivier ons land binnenstroomt – bedraagt 2200 kubieke meter per seconde. Bij deze afvoer ligt het waterpeil daar bijna op 11 meter boven NAP (Normaal Amsterdams Peil).

Oorspronkelijk stroomde het water van de Rijn in brede beddingen vol ondiepten en zandbanken door ons land naar de Noordzee, waarbij de rivier van tijd tot tijd buiten haar oevers trad. Vanaf 1100 werd het afvoerverloop, als gevolg van inpolderingen, onregelmatiger, wat leidde tot meer extreme waterstanden. Het water stroomde toen via verschillende riviertakken; de grootste daarvan was en is de Waal. De andere waren de Oude Rijn, de Vecht, de IJssel, de Lek en de Hollandse IJssel.

Van deze takken stroomde alleen de Oude Rijn rechtstreeks naar de Noordzee. De Vecht en de IJsse, mondden uit in het Almere, dat later uitgroeide tot de Zuiderzee. Na de sluiting van de Afsluitdijk in 1932 ontstond het IJsselmeer. De Lek en de Hollandse IJssel stroomden uit in de Merwede.

Vóór 1200 werd het overstromen van een rivier niet als een ramp beschouwd. De eerste rivieroverstroming waarover is geschreven, is de doorbraak van de Noorder Lekdijk in 1233. Sindsdien zijn er in ons land door de Rijn vele overstromingen geweest, waarvan de gevolgen zijn toegenomen door bodemdaling, bevolkingsgroei en de waardestijging van bebouwing en infrastructuur in de overstroombare gebieden. Overstromingen van de Waal en de Neder-Rijn/Lek konden voorkomen tot halverwege de polder Alblasserwaard ten zuidoosten van Rotterdam. Benedenstrooms daarvan werden de overstromingen veroorzaakt door stormvloeden op zee.

Sinds de 11e elfde eeuw zijn maatregelen ter voorkoming van overstromingen genomen. Zo werden de dijken langs de Rijntakken in de huidige provincie Gelderland na 1300 gesloten. Sindsdien zijn de aanpak en de veiligheidsnormen van tijd tot tijd aangepast en dat zal ook in de toekomst van belang zijn.

Tussen 1250 en 1600 kwamen dijkdoorbraken niet alleen vaker voor, maar werd het overstroomde gebied ook steeds groter. Dit was deels het gevolg van bodemdaling door inpoldering van de veengebieden.

Overstromingen tot aan de 16e eeuw zijn slechts fragmentarisch beschreven. Pas in de 16e eeuw werd een nauwkeurige beschrijving van een overstromingsramp gevonden waarbij een hele keten van dijkdoorbraken plaatsvond en het hele riviergebied overstroomde. Soortgelijke rampen deden zich in de daaropvolgende eeuwen herhaaldelijk voor.

Met name tussen 1650 en 1850 waren ijsdammen de oorzaak van vele overstromingen. Door de opwarming van het water als gevolg van de lozing van koelwater en de scheepvaart is de vorming van ijsdammen tegenwoordig praktisch onmogelijk.

In de loop van de 17e eeuw stroomde er steeds meer water in de Waal, tegen het einde zelfs zo’n negentig procent. Door de sterk verminderde aanvoer naar de Neder-Rijn en de IJssel nam hun afvoercapaciteit sterk af. Bij hoge afvoeren leidde dit tot dijkdoorbraken en overstromingen. Om hieraan een einde te maken werd in 1707 het Pannerden Kanaal aangelegd, waarbij voorzieningen werden getroffen om de gewenste waterverdeling over de verschillende Rijntakkentakken te bewerkstelligen. Tegen het einde van de 18e eeuw was een verdeling bereikt waarbij twee derde van het water de Waal in stroomde en de rest ten zuiden van Arnhem voor twee negende naar de Neder-Rijn en voor één negende naar de IJssel stroomde.

Rond 1800 werd het riviergebied praktisch elke tien jaar getroffen door zware overstromingen. Zo werden in 1809, 1820, 1855 en 1861 grote delen van het riviergebied overstroomd. De overstroming van 1809 was de meest rampzalige ooit.

Na de overstroming van 1809 werd het ‘Centraal Comité voor Waterbeheer’ ingesteld. Na de nodige discussies werd besloten om de Liemerse overlaat in de dijk van de Oude Rijn ten oosten van Zevenaar aan te leggen. In 1820 was al duidelijk dat deze zijafvoer dijkdoorbraken niet kon voorkomen. Daarop is in 1852 besloten om de Liemerse overlaat te sluiten.

Als gevolg van de overstromingsramp van 1820 werd bij Koninklijk Besluit een commissie ingesteld om de beste rivieromleidingen te onderzoeken. De organisatie van de dijkverdediging werd in deze periode aanzienlijk verbeterd. Niet alleen werden de dijken versterkt, maar ook de rivierbodem werd verbeterd, en enkele knelpunten in de Waal werden weggenomen.

In 1849 kregen twee inspecteurs van Rijkswaterstaat de opdracht om met aanbevelingen te komen. Hun aanbeveling was dat elke riviertak zodanig op een standaardbreedte met één doorlopende bedding moest worden gebracht dat ze zelfstandig het bovenstroomse water en ijs kon afvoeren. Zo moest de breedte van de Waal bij Pannerden 360 meter zijn en stroomafwaarts 600 meter.

Na de overstromingsrampen van 1855 en 1861 werden grootschalige verbeteringswerken aan de riviertakken en dijkversterkingen gerealiseerd om de riviertakken geschikt te maken voor piekafvoeren, voor afvoer van ijs, en ze in te richten voor geschikte scheepvaartroutes. Het idee was dat door de dijkversterkingen en de rivierverbeteringen het gevaar van overstromingen grotendeels zou worden weggenomen. Deze visie was te optimistisch, zoals onder andere bleek uit de overstroming van 1926. Als gevolg van deze overstroming vonden er opnieuw grootschalige dijkversterkingen plaats, waarbij de dijken werden verhoogd tot één meter boven het hoogste waterpeil van 1926.

Na de overstromingsramp van 1953 werd besloten dat in het stroomgebied van de rivieren de dijken zouden worden versterkt op basis van een kans van overstromen van 1 op 1250 per jaar. Desondanks was er vooralsnog geen sprake van grootschalige dijkversterkingen. Dit kwam doordat de centrale overheid onvoldoende geld beschikbaar stelde, en er veel wantrouwen heerste tussen de waterschappen, en de activisten, die zich inzetten voor landschapsbehoud.

Eind december 1993 en in januari 1995 stond het water in verschillende Rijntakken erg hoog. In januari 1995 kwam het water zo'n 25 cm hoger dan in 1993. De veiligheid van de dijken werd niet langer vertrouwd, omdat bepaalde dijkgedeelten nog een veiligheidsniveau hadden met een kans van slechts 1 op 100 per jaar. Gelukkig bezweken de dijken niet. Deze situatie heeft onder andere geleid tot het project Ruimte voor de Rivier en de huidige Hoogwater Beschermingsprogramma’s. In een eerdere bijdrage aan Flevolands geheugen over Onze veiligheid tegen overstromingen ben ik hier al nader op ingegaan.

For an English version of this article please click Flooding of the Rhine in the Netherlands throughout the centuries

Alle rechten voorbehouden

Media