Zoals gebruikelijk werd gestart met de aanleg van de ringdijk en de ringvaart rond de polder. De ringdijk werd op 29 oktober 1620 gesloten, waarna met het droogmalen kon worden begonnen. De polder heeft een oppervlakte van 2.756 hectare. Onderdeel van de inpoldering was de landtong De Nes aan de zuidwestkant, waarvan aan het begin van de 20e eeuw het veen is afgegraven tot min of meer het niveau van de directe omgeving in de polder.
De polder is drooggemaakt door vijf molengangen van drie schepradmolens. Het Purmer Gedenkboek 1622–1922 bevat de nodige informatie over de droogmaking. Zo wordt vermeld dat Jan Adriaensz. Leeghwater opzichter was bij het maken en plaatsen van de windmolens. Toen de Purmer in 1922 driehonderd jaar bestond is hij hiervoor geëerd met een monument in de polder.
Het waterbeheersingssysteem van de polder bestond oorspronkelijk uit een hoofdtocht met loodrecht daarop dwarstochten en kavelsloten. De vijf molengangen stonden aan het eind van dwarstochten bij de ringdijk. Alle maalden uit op de ringvaart met een peil van omstreeks 0,50 m(eter)-NAP (Normaal Amsterdams Peil). Opvallend zijn de lange, relatief smalle kavels.
Na de ontginning kende de polder in 1637 drie secties – Kleine polder, Grote polder en Monnikendammer polder. Binnen deze secties waren en zijn nog steeds verhoogde peilen in deelgebieden. In 1683 zouden in deze secties zomerpeilen van respectievelijk 4,13, 4,48, en 4,28 m-NAP zijn gehandhaafd, hoewel dit in vergelijking met de latere gegevens op de Waterstaatskaarten wellicht te lage waarden zijn. Op de eerste editie van de Waterstaatskaart van ongeveer 1870 hebben deze secties zomerpeilen van respectievelijk 3,87, 4,14 en 3,90 m-NAP.
In 1923 worden zomer- en winterpeilen gegeven van respectievelijk 4,23/4,28, 4,43/4,48, en 4,42/4,48 m-NAP. In 1968 waren de peilen inmiddels iets verlaagd tot respectievelijk 4,33, 4,53 en 4,53 m-NAP. Momenteel hebben grote delen van de polder een vast peil van respectievelijk 4,60 en 5,02 m-NAP. Het stedelijk gebied aan de westkant van de polder heeft een zomerpeil van 4,28 m-NAP en een winterpeil van 4,34 m-NAP.
In 1655 zijn twee van de molengangen verlengd tot 4 schepradmolens. In de loop der jaren zijn in een aantal molens de schepraderen vervangen door vijzels. In 1877 werd aan de noordkant van de polder bij het einde van de Middeltocht het stoomgemaal Purmer Noord geplaatst met twee centrifugaalpompen. Wel werden er drie molengangen gehandhaafd. In 1908 is het stoomgemaal vernieuwd en is er een tweede machine bijgeplaatst. Beide machines hadden twee centrifugaalpompen, en een totale capaciteit van 125 m3/minuut, wat neerkwam op 6,5 millimeter per etmaal gerekend over het oppervlak van de polder. De molengangen zijn toen buiten gebruik gesteld.
In 1952 is één van de stoommachines vervangen door een dieselmotor, en in 1955 is de andere stoommachine vervangen door een elektromotor. In 2012 is het gemaal gerenoveerd waarbij de bemalingsinstallaties zijn vervangen door twee elektromotoren met verticale schroefpompen, en een totale capaciteit van 130 m3/minuut. In 1992 is aan de zuidoostkant van de polder het gemaal De Purmer Zuid met een capaciteit van 135 m3/minuut bijgeplaatst, en tenslotte in 2016 aan de westkant het gemaal Purmer Stedelijk met een capaciteit van 60 m3/minuut. Hiermee kwam de totale capaciteit op 325 m3/minuut, ofwel, 17 millimeter per etmaal.
Het grondgebruik in de polder was lange tijd landbouw. Wel wordt gemeld dat er ook een aantal buitenverblijven werden gesticht, maar deze zijn geleidelijk weer verdwenen. Toen in de zestiger jaren van de vorige eeuw Purmerend werd aangewezen als groeikern, is een belangrijk deel van de nieuwbouwwijken in het westelijk deel van de Purmer gerealiseerd.
Voor de ringdijk zijn tegenwoordig drie veiligheidsniveaus. Ruwweg is aan de oostkant het risico op falen gebaseerd op een regionale kering Klasse II, wat neerkomt op een faalkans van 1/30 per jaar, aan de noordkant is het Klasse III wat neerkomt op 1/100 per jaar en aan de westkant waar het stedelijke gebied ligt is het Klasse V wat neerkomt op 1/1000 per jaar. Het gebied achter de Klasse II-dijk is het diepste deel van de polder. Middels modelberekeningen is gevonden dat als deze dijk zou doorbreken de delen van de polder met de hogere veiligheidsniveaus niet zullen overstromen.