Luchtoorlog boven Flevoland. Deel 13

Hoe pak je de berging van een vliegtuigwrak aan?

1 geïnteresseerde

"Je nam een schop mee en keek of er ergens nummertjes op stonden." Het verhaal van de bergingsofficier die betrokken was bij de berging van - met name - geallieerde vliegtuigwrakken in de Flevolandse polders.

© Nieuw Land, collectie G.J. Zwanenburg

Een machinegeweer uit de B 24, 1975 (Batavialand, collectie G.J. Zwanenburg).

Alle rechten voorbehouden

Dankzij die wrakkenkaart van Rijkswaterstaat wisten we van tevoren waar ergens wat kon liggen. Daar hield je rekening mee. Ik had een hele goede verbinding met de mensen in de polder en als ze ergens moesten cultiveren gingen we kijken. En dan ging je dus met een locater. Er werden sloten gegraven met grote apparaten en het was natuurlijk niet de bedoeling dat daar dan iets zou liggen. Dan ging je aan het werk. Draglines erbij, allerlei apparatuur. Dingen als dieplepelaars en zo. Maar in het begin ging het bij wijze van spreken nog met een schop.

 

Riet

Eerst zaten die wrakken in het riet. De hele polder heeft onder het riet gezeten. En pas toen ze begonnen te maaien en te cultiveren, kwam je de zaak tegen. Als dat riet dus afgebrand werd, dan pas kwamen de spullen bloot. En dan ging je kijken. De helikoptervliegers van Soesterberg moesten regelmatig oefenvliegen en dan gingen ze kijken. Dan kreeg ik weer een telefoontje dat er ergens wat lag. En daar ging ik dan naartoe. Dat was dan een stuk metaal dat boven de grond uitstak. Je nam een schop mee en keek of er ergens nummertjes op stonden. Ik zocht naar partnummers om het type vliegtuig vast te stellen.

We wisten door onderzoek wat voor vliegtuigen er in het IJsselmeer neergekomen waren. En dan ging je elimineren. Steeds verder nummertjes zoeken. Een vliegtuigwrak kon je duidelijk herkennen aan het metaal. Je moest dus alle vliegtuigen uit die tijd kennen. En daar was ik redelijk van op de hoogte. Maar als er een wrak gelokaliseerd was, ging je erheen. En aan de hand van het ontginningsschema in de polder werd het geborgen. De B-24 bij de Oostvaardersdijk was in 1968 al bekend. Toen ben ik er al geweest. Maar die hebben we pas in 1975 kunnen bergen, in samenwerking met de Rijksdienst IJsselmeerpolders en Zuiderzeewerken.

 

Opruimen of bewaren

Alles werd opgeruimd. Spullen die herkenbaar zijn voor een leek moet je niet weg doen. Die moet je gewoon bewaren. Als wij naar de schoolkinderen in Dronten gaan, nemen we ook altijd een kist met herkenbare wrakdelen mee om aan die kinderen te laten zien. Die mok die daar staat heb ik in een vliegtuig gevonden. In stukken, hij is weer aan elkaar geplakt. In die mok zat een scheerapparaat en een tandenborstel. Want als je met je vliegtuig in de mist de weg kwijtraakte en je moest uitwijken naar een andere basis, had je dat in ieder geval bij je. Ze hadden ook wel eens de nylonkousen van hun vrouw om, als sjaal. Ze hadden stugge leren vliegerkleding aan en als je leren vliegerkleding aanhebt in de kou, wordt dat spul hard. Iets zachts om je nek was dan functioneel. Het was een herinnering aan zus, en het was nog goed ook. Dat zijn jongens onder elkaar hè, dat zijn militairen. Alleen al de naam van dat vliegtuig: Dinah Might. Dinah zou wel eens willen en dan heb je dynamiet. Dat is een klein beetje humor wat ze hadden. En dat hielp ze door de ellende heen.

 

Vliegtuigwrakken identificeren

Ik was radiotelegrafist en ik kon dus heel goed met cijfertjes overweg. En je moest frequenties kennen en al dat soort zaken meer. Telefoonnummers kende ik allemaal uit mn hoofd. Dat was hartstikke makkelijk. Maar op een gegeven moment… alles, auto’s, boten, vliegtuigen, die hebben allemaal eigen partnummers, onderdeelnummers. Op een gegeven moment kwam ik daar achter en kwam ik nummers tegen. Die stuurde ik dan op en dan kreeg ik informatie. En zo is het begonnen. Identificeren. Zodoende kon je meteen het type vliegtuig herkennen. En dan wist je meteen: is het een jager, is het een bommenwerper, is het een nachtjager, is het alle twee geweest. Ik noem maar wat. We moesten dus uitvinden welk vliegtuig het precies was. Elk vliegtuig heeft, net als een auto, zijn eigen nummer. En daar zocht je dan naar. Die nummers vond je dan wel.

Bronvermelding: Batavialand te Lelystad, interview met de heer G.J. Zwanenburg, 16 september 2009.

Alle rechten voorbehouden