Razzia's in de Noordoostpolder

1 geïnteresseerde

Jan Wester vertelt over de razzia's in de Noordoostpolder en het vastgezet worden door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Rauter

Hanns Albin Rauter, tijdens de Duitse bezetting onder meer hoofd van de SS in Nederland, voor zijn rechters, april 1948. Rauter had persoonlijk de leiding over de Duitse troepen bij de razzia van 17 november 1944. (foto J.D. Noske, Nationaal Archief/Anefo).

In de oorlog werkte ik altijd bij een ander, maar na de razzia in [november] 1944 bleef ik thuis. Ik had goede Duitsers gevonden en die hadden mij en twee collega's niet opgepakt. Ik werkte toen bij een bedrijf dicht bij de vuilnisbelt en daar waren we aan het ploegen geweest.

In de middag ging het regenen en we trokken op huis aan, twee paarden voor de wagen en twee achter de wagen en zo liepen we door het land naar de Kuinreweg. Bij de weg aangekomen werden we door Duitse soldaten aangehouden. Een van die Duitse soldaten kwam naderbij, en zegt: "Jongens, dat tuig van die paarden zit niet goed, dat moeten jullie wel even veranderen." Na dat hersteld te hebben, konden we door. Eenmaal op de boerderij van [Piet van] Maldegem aangekomen, hoor ik de vrouw van de baas nog zeggen: "Waar komen jullie vandaan?" Ik antwoordde: "Van het werk". Ze was stomverbaasd dat ze ons zag, want haar man was ’s morgens al om zeven uur opgepakt door de Duitsers. Wij waren diezelfde ochtend al heel vroeg naar ons werk gegaan en waren daardoor net voor de razzia en de Duitsers uit geweest. Jonge mannen werden nou eenmaal opgepakt voor de Arbeitseinsatz in Duitsland.

Een ieder werd opgepakt en in een kamp aan de Kuinreweg opgesloten, mijn vader was gelukkig te oud. Uiteraard werden we toen bang dat we opgepakt zouden worden en zijn toen in de schuur gaan schuilen. De schuur waar we ingingen had een achtergevel waar een heel groot zeshoekig raam in zat, met daarvoor een hele dikke balk. We zijn toen via het stro omhoog gegaan en op die balk gaan zitten. Door het raam konden we naar buiten kijken en zien en horen wat er buiten gebeurde. Even later kwam er een man met wat paarden aanlopen, hij werd gelijk opgepakt en moest de paarden laten lopen.

Ik zat daar samen met een Duitser op die balk die geen woord Nederlands sprak. Hij werkte al een tijdje in onze werkploeg en we dachten dan ook dat het een deserteur was. Ik vertrouwde hem in elk geval niet en later bleek hij ook een spion te zijn. [Hanns Albin] Rauter had V-männer [Vertrouwensmannen, dat wil zeggen collaborateurs] uitgezet in de polder. ’s Avonds gingen we naar de voorgevel van de schuur waar geen stro was. Gevaarlijk was het wel, want als we van de balk af gleden viel je ongeveer 10 meter naar beneden. Die avond kwamen er opeens een aantal Duitsers de schuur binnen, ze schenen met zaklantaarns onder ons. Ze zagen of hoorden ons niet, we hadden geluk. De Duitser naast mij kon precies verstaan wat er gezegd werd en zei zoiets als: "Dit is niet best Jan, ze willen hier overnachten." Uiteindelijk gebeurde dit niet en gingen plusminus elf uur weg.

Toen de Duitsers weg waren, hoorde ik op een gegeven moment mijn naam roepen. Het was mijn vader die mij riep: "Kom maar naar beneden Jan, de kust is veilig." Ik ben toen met mijn vader naar huis gereden. Onderweg werden we aangehouden door een Duitser, hij wou meerijden want hij had motorpech. We hebben hem meegenomen, maar eenmaal thuis aangekomen wilde hij dat we hem naar Lemmer brachten. Mijn vader zei toen: "Dat gaan we echt niet doen, we brengen je niet naar Lemmer. Hier vlakbij is een kamp waar je kameraden zitten, ga daar maar naar toe."

Toen we thuis waren vertelden mijn vader en moeder wat er die dag gebeurd was. Een ieder was opgepakt en in kampen gestopt onder Duitse bewaking. Mijn moeder had de hele dag pannenkoeken staan bakken voor de jongens die opgepakt waren. Zij dacht dat ik opgepakt was, dus stond er al een koffer met kleren klaar.

Alle rechten voorbehouden