In 1941 naar de Noordoostpolder (1)

1 geïnteresseerde

Johannes Muis vertelt:

identiteitsbewijs Muis

Identiteitsbewijs van Johannes Muis (Batavialand, collectie Johannes Muis).

Alle rechten voorbehouden

Ik ben naar de lagere landbouwschool in Hoogeveen geweest en daarna nog één winter op de landbouwwinterschool in Hardenberg. En ja, dan wil je er ook wat mee doen. Toen kwamen de directeuren van de landbouwwinterscholen op het idee: "Zeg, die nieuwe polder komt er aan. Waarom moeten dat altijd alleen voor de kleiboeren zijn. We hebben hier ook mensen die goed opgeleid zijn." Ze hebben toen een landbouwcommissie gevormd en die heeft contact opgenomen met Heidemij en Grontmij, die in de Wieringermeer het opzicht hadden en in de Noordoostpolder het opzicht zouden krijgen over het grondwerk, niet het exploitatiewerk, zoals het inzaaien van rogge of tarwe, maar het graven van greppels enzovoort. Daar hebben ze toen een afspraak mee gemaakt. En toen zijn we naar een cursus geweest in de Betuwe. Toen zeiden ze: "Dan kunnen ze langzamerhand van de zware grond. Als ze zo jaloers zijn op die vette gronden in de polders, dan kunnen ze daar kennis meemaken." Nou, dat viel niet mee: lelijke stugge rotgrond, daar in de Betuwe.

Uit die Drentse club zijn misschien vijfentwintig man naar de Betuwe gegaan. Maar in Zeeland hadden ze ook zo’n club gevormd en die zijn op andere plekken tewerkgesteld, in de Gelderse Vallei en hier en daar. En Overijssel had contact gezocht met de Grontmij, een concurrerende maatschappij van de Heidemij en die zijn hier in Wanneperveen en Giethoorn aan het spitten geweest. Die gingen naar de Roekebos. Dat was kort bij huis. Die konden zo ’s avonds weer naar huis en wij moesten uit huis! Nooit gedaan, twintig jaar, eenentwintig jaar, en daar een kosthuis zoeken! Daar hielp de Heidemij dan wel mee.

Ik ben zo’n twee maanden in de Betuwe geweest. Dat duurde twee maanden. En toen gingen we naar huis en toen gingen de eersten al naar de polder. Toen was er al een beetje aan de rand van de polder drooggevallen. Toen ben ik nog twee dagen thuis geweest. Toen dachten mijn vader en moeder al dat het avontuur afgelopen was. Maar toen kreeg ik een telegram uit Kampen van de Heidemij: die en dag in Vollenhove melden en daar werden we ingeschreven als werknemer bij de - dat noemden ze toen nog - Directie van de Wieringermeer (Noordoostpolderwerken).

Bron: Batavialand te Lelystad, Project Cultureel Flevoland, Interview met Johannes Muis, 21 januari 2005.

Alle rechten voorbehouden