‘We waren helemaal op onszelf aangewezen’. Pionieren in de Ramspol in 1942

Jan van Roeden verhuisde met zijn ouders en zussen van een stenen huis naar een houten keet. Met bijbehorende perikelen! Zoals het afscheid van een watercloset en de terugkeer naar een ton. Maar ook overheerlijk brood van graan uit de polder.

Kamp ramspol

De polderdijk bij Kamp Ramspol, winter 1943 (Batavialand, album Nieuwburg).

Alle rechten voorbehouden

Wij kwamen uit een goed stenen huis en gingen naar een houten keet, maar het was toch wel een feest voor mij. We hadden een ruime eetkeuken. Nou, in die keuken kon wel een paard en wagen rondrijden, zei mijn moeder. Zo groot was die. En dan hadden we daarachter nog een ruime woonkamer, twee kleine slaapkamertjes en één grote slaapkamer. Alle kamers waren van kasten voorzien.

Op de slaapkamer van mijn ouders was een wastafel. Zonder water, haha! Een toilet was er ook. Een ton met een deksel, en niet zo fris. Dat was ook nog mooi: wij waren in Zwolle gewend aan een watercloset. Maar daar was dat niet. Daar was een ruimte en daar stond een tonnetje, dus dat was heel primitief eigenlijk. En die ton werd dan elke week weer opgehaald en geleegd. Dat werd van buitenaf gedaan. Er zat een luik in de buitenwand van de barak en dan konden ze van buitenaf die ton trekken en dan werd er een nieuwe ton in gezet. Dan hoefden ze niet door de barak heen. Die tonnen werden geleegd en gespoeld in het kanaal, op een steiger tegenover het kamp. Die werd dan ook de strontsteiger genoemd…

Kijk, u moet zich voorstellen: het was gewoon een stuk grond en daar was die barak op geplaatst en dan was met piketjes afgezet ‘dat is jouw tuin’ en ‘dat is jouw tuin’, maar verder was het alleen maar klei en zand. Vóór de barak liep een tegelpad voor de bewoners en daarachter lag de voortuin, dus iedereen liep almaar door jouw tuin. Erg onvrij. En achter hadden wij dus ook een tuin, een vrij grote tuin, en die sloot direct aan op een grote kavel waar de paarden van de cultuur liepen te grazen. Vanuit mijn slaapkamer kon ik wel naar Vollenhove kijken, zo ver! Toen wij kwamen, stond de rogge werkelijk manshoog. Dat kunnen jullie je niet meer voorstellen, maar toen had je nog van die hoge gewassen. En riet hè. Want men had ook riet gezaaid.

Het mooiste was: je had geen bakker, geen kruidenier, geen groenteman of melkboer. We waren helemaal op onszelf aangewezen. Mijn ouders hadden een kleine voorraad uit Zwolle meegenomen. De volgende dag moest er toch brood op tafel komen. Mijn moeder ging bakken. Voor het eerst. Mijn ouders hadden zich goed voorbereid. Ze hadden in Zwolle een kolenfornuis gekocht, en daar zijn ze echt mee bedonderd, haha! Dat was zo mooi. Toen we daar kwamen en m’n moeder wou gaan bakken, bleek dat er in de achterkant van de oven een heel gat zat, haha!

Maar goed, dat is allemaal goed gekomen en toen heeft m’n moeder brood gebakken van dat overheerlijke pure goudgele tarwe, erg lekker. Ik zal je vertellen: dat had ik nog nooit gehad. Puur wat graan, tarwe, en van dat tarwe heeft ze brood gemaakt. Nou jongen, en als je dat rook, en de smaak hè, het was gewoon een delicatesse. Maar goed, dat was dus het eerste wat we daar beleefd hebben.

Bron: Batavialand te Lelystad, Audiovisueel Archief, interview met Jan van Roeden, 19 maart 2014.

Alle rechten voorbehouden