Artikel

‘In de polder kon alles. We zagen geen enkele Duitser, die waren er niet’

Jan van Roeden heeft als kwajongen altijd genoten van de culturele avonden in het arbeiderskamp van Ramspol. ‘Als Jan Lemaire en die Hetty Blok zo’n avond hadden versierd, werd aan het eind het Wilhelmus gezongen hoor!’

Het was zelfs zo, ik zeg nog vaak tegen mijn vrouw: van het culturele leven in die tijd heb ik meer genoten dan dat ik het nu hier doe. Ik ga haast nooit naar toneelavonden of films, maar daar kwam altijd eens in de twee weken cabaret of een film. Er werden ook wel eens propagandafilms van de Duitsers en de WA vertoond, maar dan kwam er nooit iemand. Als die Duitsers met iets kwamen zag je geen mens. Zo hebben wij ook veel gezien van Jan Lemaire, die oude artiesten. Hetty Blok, dat was altijd geweldig hoor.
Ja, ik vergeet het nooit. Hetty Blok was zangeres. Dat was hartstikke mooi. Ach goed, je bent een jochie van acht, negen jaar. Het was een prachtige blonde meid. En dan stond ze op het toneel en die eerste regels vergeet ik nooit: ‘Ik ben een wonderkind en ik heb blonde krullen.’ En wat ze verder allemaal gezongen heeft weet ik niet meer. Die jongens in het kamp waren hysterisch hoor, zo mooi vonden ze het. Dat was prachtig. Toen kwam, ik meen dat het Jan Lemaire was, die kwam met een liedje:
‘Toen wij uit Rotterdam vertrokken,
Met een Edammer oude schuit,
Met kakkerlakken in ’t vooronder…
Dat was machtig mooi. Dan droeg hij een stuk voor van Rotterdam, want in die polder kon eigenlijk alles hoor. We zagen eigenlijk geen enkele Duitser, die waren er niet.
We hielden ons niet aan spertijd. Als het zomer was moest je om acht uur binnen zijn. Maar wat dacht je: wij zaten heerlijk voor de barak in het zonnetje met die jongens naast ons naar Radio Oranje te luisteren. Vergeet ik ook nooit. Dan hoor je dat ‘pom pom pom pom … pom pom pom pom… Hier Radio Oranje’ en dan hoorde je die stoorzenders van die Duitsers er doorheen. Het was een eldorado daar, joh! Die jongens naast ons waren onderduikers en de barak waar ze in woonden werd Huize Horra genoemd.
En het was zelfs zo, met zo’n avond, ja dat wil je niet geloven, het was zo’n vrijgevochten bende! Als Jan Lemaire en die Hetty Blok zo’n avond hadden versierd, werd aan het eind het Wilhelmus gezongen hoor! Ja, ja. En dan keken ze wel of er iemand bij was die fout was. En dan stonden ze met een man of vijf voor hem he. Want die moest er wat van durven te zeggen! Ja, dat was geweldig, een mooie tijd is dat geweest.

Bron: Nieuw Land Erfgoedcentrum, interview met Jan van Roeden, 19 maart 2014.

Alle rechten voorbehouden