Een beschieting die jarenlang uit de herinnering is verdrongen

Jan van Roeden werd eens beschoten door een Duitse oorlogsbodem toen hij met een vriendinnetje aan het varen was bij Ramspol. Een angstige gebeurtenis die hij zich jarenlang niet meer wist te herinneren.

middenterrein van kamp Schokland beschilderde boei

Je weet wel, als je een jaar of acht, negen bent, heb je verkering met een meisje, maar ze weet het zelf niet hè. Met Toos van der Zee had ik dan zogenaamd verkering. Er was een storm geweest en er was een sloep aangespoeld. Ik had eens van een schipper gehoord: als je een losdrijvende roeiboot vindt, zet er een stok met een witte vlag bij. En als binnen een maand niemand de boot opeist, mag je hem als eigendom beschouwen. Dus ik had als jochie zelf een boot, met voorin een groot gat, maar dat heeft mijn vader toen gerepareerd. En toen op woensdagmiddag… dat is een verhaal dat helemaal uit m’n geheugen is geweest, dat is heel gek.

Toos van der Zee sprak ik jaren later eens. Zij zei: "Goh, dat is ook wat, ik heb een mooi opstel gevonden. Weet je wel dat wij op woensdagmiddag beschoten zijn?" En ik zie zo dat hele beeld weer voor me. Wij zijn midden op het water en er komt zo’n oorlogsbodem aan van de marine, uit Schokkerhaven. En die begint te schieten op ons. En wij als in paniek die boot naar de pier! Springen uit die boot en gaan aan de andere kant van de strekdam liggen. En daar komt dat grote ding aan, die had de hele vaargeul zowat nodig. En toen kijken we, maar die lui hebben ons nooit gezien.

Weet je waar ze mee bezig waren? De heren waren aan het vissen, met handgranaten. Dan kwam de dooie vis boven en dan schepten ze op. Die hebben ons met die boot niet gezien. Zij zitten nogal hoog op dat ding en dat bootje is klein. "Nou," zegt Toos, "weet je dat niet meer?" Ik zeg: "Toos, nu dat je het zegt, heb ik het zó weer voor me." Dat opstel had Toos haar vader op zolder gevonden. Dus ik heb wel wat verdrongen, wat ik dacht van niet. Maar waarom kwam dat oorlogsschip nou dat kanaal in varen?

Een paar weken ervoor was ik aan het grasmaaien voor de konijnen. Het was een mistige dag. En opeens vliegen er vier jagers heel laag over. Ik zag aan de kruizen dat het moffen waren. Ik heb er verder geen aandacht aan besteed. Nog geen half uur daarna komt er een man van de Cultuur: op Schokland liggen vier vliegtuigen, ze hebben een noodlanding gemaakt. Eén ligt er op de kop en de rest was allemaal redelijk goed terechtgekomen. Wat er gebeurd was wist niemand. Of ze konden hun basis niet vinden of ze hadden geen brandstof meer.

Ze hebben het allemaal overleefd. Jongens uit kamp Schokland hebben gezien dat één van die piloten nog in het toestel zat. Hij kon er niet uitkomen, maar niemand wilde hem eruit halen, want dat was toch maar een rotmof. Toen kwam Fokkinga, de kantinebeheerder, en die heeft die jongen eruit gehaald. Dat is hem slecht bekomen, want nu was Fokkinga in veel ogen eigenlijk een verrader. Nee, hij heeft menselijk gehandeld. Of het nu een mof was of niet. Ik geloof niet dat die piloot gewond was. Hij had natuurlijk wel een klap gekregen, want hij kwam in de prut terecht en is over de kop geslagen.

Die vliegtuigen zijn deels gedemonteerd en naar de loswal in de Ramspol gebracht. Dan moet je niet denken aan een trekker met een mooie wagen. Nee, toentertijd hadden ze in de polder van die sleden, die konden ook door de blubber heen hè. En toen hebben ze die vliegtuigen op de loswal gezet, bij de Ramspol. Dat schip dat binnen kwam varen, kwam die dingen ophalen!

Bron: Batavialand te Lelystad, Audiovisueel Archief, interview met Jan van Roeden, 19 maart 2014.

Alle rechten voorbehouden