Naaldhout gaf een waarschuwing voordat het ging knappen. Kraken was ‘wegwezen hier!’

Ties Hanssens vertelt waarom in heel Nederland in de jaren vijftig productiebossen werden aangelegd.

Kuinderbos

Een plantjongen is, nou, het woord zegt het al: je staat voor een oppervlakte grond en dat moet ingeplant worden. Dat deden wij met groepjes van twee man. De ene maakte met de schop een kuiltje en de planter die er achteraan kwam drukte wat er in moest, wat voor houtsoort dan ook, die drukte dan de wortels in die kuil en diezelfde gooide ook weer die kluit bovenop de wortels.

Het was toendertijd eigenlijk in heel Nederland zo: de aanleg van bossen is gebaseerd op productie. Puur productiebossen, vooral de naaldhoutsoorten. Dennebomen, maar ook heel veel sparren. En de bedoeling van met name dat naaldhout was, dat werd heel veel gebruikt in de mijnen. Toen hadden we nog kolenmijnen. Dat naaldhout werd in de mijn gebruikt als stuthout, want als andere houtsoorten onder spanning komen te staan, breken ze. En een naaldhoutsoort gaat eerst kraken, die geven als het ware eerst een waarschuwing af van "wegwezen hier". Vandaar dat daar naaldhout voor gebruikt werd.

Later, toen die mijnen gesloten werden, was de vraag naar naaldhout niet meer zo groot. En gelukkig is het bos zo aangeplant dat er verscheidene houtsoorten tussendoor gemengd zijn. Min of meer om de bodem te verbeteren. Loofbomen geven blad, wat een betere humusvorming geeft dan naaldbomen, en ook om de bodem min of meer vast te houden. Die naaldbomen verdwenen zo langzamerhand tussen het vulhout wat wij zo noemden. Dat nam de taak over van het eigenlijke bestaande bos. Met name veel eiken en essen, beuk, esdoorn, het soort loofbomen dat een veel langere omlooptijd heeft. Omlooptijd wil zeggen lange levensduur. Zo zie je vooral ook hier in de polder: de bossen zijn nogal gemengd. Meest loofhout met daartussen nog wat naaldboom. Je hebt ook hele complexen wat alleen bestaat uit naaldhout, ja, dan heb je geen keus meer. Als dat op een gegeven moment tegen de vlakte gaat, zou er waarschijnlijk weer naaldhout voor terugkomen. Maar ook als je niks zou doen, als het kaalslag wordt, komt er van nature weer bos terecht. En dan met name loofhout, maar ook naaldhout, want er zijn in de loop van de jaren ook zaden naar beneden gevallen die in de bodem zitten en dan krijg je uiteindelijk toch weer bos terug.

Maar om op dat boswachter terug te komen, ik ben toen in de zeventiger jaren boswachter geworden. Dat houdt in, niet zozeer meer de werkzaamheden in het bos zelf, maar meer gericht naar het publiek. Voorlichting aan het geven, van hoe is het bos ontstaan, wat komt erin voor, wat is de uiteindelijke bestemming van zo’n boswachterij. Maar ook de belevenis voor de mens in dat bos. Daar waren dan groepen mensen die op aanvraag en dergelijke graag een rondleiding wilden hebben, maar ik gaf ook veel voorlichting op scholen. We hadden een heel lespakket van allerlei koffers met allerlei onderwerpen die erin verwerkt waren. Dat rouleerde dan zo van school naar school. Met begeleidende documentatie erbij en dergelijke en aan de hand daarvan, door de contacten met die scholen, kreeg je die kinderen ook weer in het bos. Het was een hele nuttige periode voor mij geweest.

Bron: Landschapsbeheer Flevoland, interview met Ties Hanssens door Hillie de Jong, 11 januari 2011.

Alle rechten voorbehouden