Artikel

‘Ik zat in mijn tuin alle dagen achter die mollen aan, maar in het bos zelf? Nee, amper’

Ties Hanssens kwam als boswachter weinig mollen tegen in het bos. Dat had ook alles te maken met de bodem en de organismen die daar leefden.

In zo’n bos dat volwassener wordt, krijg je ook verschillende periodes. De bodem is voor heel veel dieren heel belangrijk. Ten eerste geeft een bos bescherming en beschutting , maar ook dekking waar ze zich in kunnen verbergen. Maar als die dekking wegvalt doordat het bos erg dicht is, met name de naaldhoutvakken, daar groeit helemaal niks meer onder. Dus daar verdwijnen die dieren dan gewoon. Nou ja, daar komen weer andere beesten voor terug. Onder andere de eekhoorn. Als die naaldbomen zaad gaan produceren krijg je er op een gegeven moment toch eekhoorns voor terug. Ik heb mijn eerste eekhoorn gezien aan de Schansweg. Ik vraag mij nog af: is die daar van nature gekomen of is die uitgezet? Want er worden ook veel eekhoorns als tamme dieren gehouden. Ja, en als de mensen dat op een gegeven moment zat zijn, laten we ze maar in het bos. Misschien dat ie zich daar dan redt. Ja, zo kun je ze natuurlijk ook krijgen.
Mollen waren er ook vrij snel. Toen wij aan de Schoterweg woonden, hadden we ook een tuintje voor en achter, maar ik zat alle dagen achter die mollen aan. Maar in het bos zelf? Nee, amper. Wel op boswegen en op de stukken waar gras groeide, maar in het bos zelf, nee, daar komen ook praktisch geen wormen voor. Wel andere organismen natuurlijk. Die zorgen voor de vertering van het gevallen materiaal, maar wormen was maar amper. Die heb je ook meer op de boswegen, op de meer open stukken. Daar had je dan wel wormen in, met als gevolg: ook mollen.

Bron: Landschapsbeheer Flevoland, interview met Ties Hanssens door Hillie de Jong, 11 januari 2011.

Alle rechten voorbehouden