"Het moest uit zijn met gezeur en geleuter van sociologen"

Sociografen in de IJsselmeerpolders

Als universitaire discipline is sociografie - een soort toegepaste sociologie - uitgevonden door S.R. Steinmetz. Zijn leerling H.N. ter Veen tilde de nieuwe discipline naar grote hoogten. Via Ter Veens eigen leerlingen E.W. Hofstee en H.D. de Vries Reilingh kwamen diverse sociografen in de IJsselmeerpolders terecht. Michel van Hulten, één van hen, vertelt:

De Vries Reilingh

Prof. dr. H.D. de Vries Reilingh (1908-2001) (foto Batavialand).

Alle rechten voorbehouden

Ik was gevraagd door prof. Hofstee in Wageningen. Hij zat in een soort adviescommissie van de Rijksdienst [voor de IJsselmeerpolders], samen met drie hoogleraren uit Delft. Ik heb met Hofstee in de jaren 1960-1962 gesprekken gehad rond mijn proefschrift. Ik ben gepromoveerd in Amsterdam, maar wilde eigenlijk in Wageningen bij hem promoveren, omdat ik vond dat ik voor het onderwerp van mijn proefschrift beter bij Hofstee terecht kon dan bij mijn hoogleraar in Amsterdam.

Hofstee was de socioloog in Wageningen, maar hij was als student opgeleid in Amsterdam en wel als sociograaf. En ik zat bij de studie sociografie. Dat was toen in Nederland een heel apart gezelschapje, want in de wereld bestond er eigenlijk geen sociografie. Het bestond in Nederland, en verder was er een faculteit in Münster, er was een faculteit in München en er was een faculteit in Wenen. Die hingen met elkaar samen. Ze bedreven geografie op een andere manier dan alle andere geografiefaculteiten in de wereld. Eigenlijk werden ze gezien als een beetje rare vogels. 

De hoogleraar in Amsterdam, De Vries Reilingh, kwam uit de volkshogeschoolwereld. Dat was zijn achtergrond. Hij was erg op het platteland gericht, dat wel. Mijn proefschrift ging ook over een plattelandsonderwerp, namelijk de organisatie van de landbouw in Polen, met name de collectivisatie daar. Maar op dat terrein was Hofstee veel deskundiger en verder gevorderd. Daarom wilde ik eigenlijk bij Hofstee promoveren. Ik weet zeker dat ik minstens één keer bij Hofstee in Wageningen ben geweest. Daarnaast heb ik hem, geloof ik, een paar keer ontmoet. Maar op zijn minst één keer was dat bij hem in Wageningen. Toen heeft hij mij uitgelegd:

“Meneer Van Hulten, ik waardeer u zeer, maar het is toch gebruikelijk dat u bij uw eigen hoogleraar promoveert. Ik ben vereerd dat u mij wilt hebben, maar dat doen we zo niet. Ik wil geen ruzie in de tent. Als u wilt promoveren, zult u toch ook met dat onderwerp bij De Vries Reilingh moeten promoveren.”

Dat heb ik toen gedaan. Maar door dat gesprek kende hij mij wel, had hij althans van mij gehoord.

Toen – ik denk dat dat rond 1964 was - is de Rijksdienst op één of andere manier op mij geattendeerd. Ofwel Hofstee heeft mij gebeld, dat weet ik niet meer precies, ofwel hij heeft mij een briefje gestuurd (in die tijd werden er nog veel briefjes gestuurd). Zo van:

“Je moet daar solliciteren, want dat is een hele leuke post. Daar moet een bureau worden opgericht en moeten allerlei onderzoekers worden aangetrokken. Het moet daar een mooie sociografische eenheid worden.”

Gegeven de internationale situatie was het ook interessant – dat vond ook De Vries Reilingh – omdat je maar op een paar universiteiten zulke posten hadden waar ze op een andere manier met geografie bezig waren. Eigenlijk was Hofstee daar ook mee bezig, want hij kwam uit dat Amsterdamse nest. Hij vond dat ook wel leuk. En eigenlijk moest het daar ook gebeuren. Het ging dan om praktische sociologie. Het moest uit zijn met gezeur en geleuter van sociologen, het moest op de praktijk worden gericht. Dat was de essentie van sociografie.

Bron: Batavialand te Lelystad, Audiovisueel Archief, interview met Els van Hulten, Michel van Hulten en Jan Lindhout, 8 september 2016.

Alle rechten voorbehouden