‘Wordt dit ooit nog wat?’

De bossen die Job Vis aanplantte bestonden uit pinkdunne boompjes op een moddervlakte. In het begin was er veel verbeeldingskracht voor nodig om daar een toekomstig bos in te zien.

trippen

Gebruik van trippen, in dit geval in de zojuist drooggevallen polder Oostelijk Flevoland (Batavialand, collectie Land in Wording I).

Alle rechten voorbehouden

Kijk, u moet zich voorstellen, zo’n gebied is één moddervlakte. Je moest er over heen lopen met zulke planken onder je voeten. Anders zakte je weg. Daar zet je bos op. Nou dat bos, dat zijn pinkdunne stokjes. Die staan te zwiepen in de wind en je denkt: ‘Jongens, wat wordt dit? Wordt dit ooit nog wat?’ En na een jaar of drie, vier, dan zie je ineens dat die boompjes ongeveer zo gaan worden: duimdik, polsdik. En ineens is het ‘Verrek!’ En op een gegeven moment worden ze zo dat je er niet meer overheen kunt kijken. In het begin keek je er moeiteloos overheen.

En dan begint het eigenlijk pas te komen hè. En als die bomen wat sluitend worden, als de kronen elkaar gaan raken, dan krijg je daaronder een microklimaat en daaronder gebeuren er weer allerlei andere dingen. Maar het blijft in eerste instantie vooral, op die rijkere gronden is de vegetatie massaal, maar nog niet interessant. Het begint pas leuk te worden als er wat verschraling optreedt. Kost tijd, kost tijd. De eerste dertig jaar is er…nee, de eerste twintig jaar is er nog niet veel interessants te zien. Pas daarna begint het te komen hè. Je moet je voorstellen, ja dan maak je een soort zaaibed, dat is misschien wat teveel gezegd, maar in ieder geval, je schept de omstandigheden voor ontwikkeling.

Bron: Landschapsbeheer Flevoland. Interview met de heer Job Vis door Carine Nieuwenhuis op 20 maart 2013.

Alle rechten voorbehouden