Een heleboel mensen konden het niet bolwerken

De Zeeuwse boerenzoon Rinus van der Weele kwam in 1943 als onderduiker naar kamp Zwolsevaart in de Noordoostpolder. Hij was het harde werk in de ontginning wel gewend, maar dat gold niet voor alle onderduikers.

greppels

Greppels graven in de Noordoostpolder (Batavialand, collectie J. Pander).

Alle rechten voorbehouden

Ja, je graaft een greppel en dan moet je dwars door die taaie wortels, dat is juist het zware en vervelende werk, dat is zwaar werk, heel zwaar werk. Je zet zo’n 300 of 400 mensen in zo’n kamp en er zit van alles tussen. Ik was eigenlijk ook een vluchteling. Er waren heel veel vluchtelingen, maar er waren weinig mensen die met het doel naar die polder waren om er een bestaan te krijgen in de toekomst. Er waren allerlei studenten en ja, ook wel mensen van het platteland en artiesten zelfs. Daar kon je je behoorlijk mee vermaken, om eens flauwekul of plezier te brengen.

Maar goed, dan ga je gewoon door en dan sta je er toch van te kijken, ik heb het laatst ook nog eens gememoreerd, dat je toch in korte tijd, het zijn maar één à twee jaar, met zoveel mensen zoveel kan presteren. En het is geen kleinigheid, vandaag de dag zou het nooit meer lukken. Een heleboel mensen konden het niet bolwerken, je handen gingen kapot natuurlijk en je rug vooral. Van de honderd mensen die op een gegeven moment aankomen, blijft nog niet de helft over.

Bron: Landschapsbeheer Flevoland. Interview met M.A. van der Weele door Anke van Zwoll op 14 september 2012.

Alle rechten voorbehouden