Een doorkijkhuis in Paramaribo

1 geïnteresseerde

Hindoestanen zijn na de afschaffing van de slavernij in 1863 naar Suriname gekomen om de plantages te bewerken. Er zijn nog Surinamers die geboren zijn op het kostgrondje dat hun voorouders gekregen hadden van de plantage waar ze werkten.

Een zogenaamd doorkijkhuis

Een zogenaamd doorkijkhuis (bron Urcila Winter).

Alle rechten voorbehouden

Mijn grootouders zijn in 1881 vertrokken vanuit Hindoestan, zo heette India vroeger. Hindoestan was groot, want in 1948 was Pakistan gescheiden van India. Met de afschaffing van de slavernij in 1863 kwamen ze in Suriname mensen tekort. Ze hadden geen mensen om te werken op de plantages en toen hebben ze contractarbeiders ingevoerd. Eerst waren dat Javanen, toen Chinezen en daarna Hindoestanen. Ze hadden een contract om te werken (vijf jaar) en daarnaast kregen ze een kostgrondje, zeg maar een klein huisje om te wonen … en een moestuin waar je je eigen groente en een beetje peper verbouwde en wat kippen hield om in de eerste behoeften te voorzien. Na die vijf jaar, als het contract was afgelopen, konden ze kiezen: of teruggaan of blijven in Suriname. Velen zijn toen vertrokken, maar anderen, zoals mijn grootouders zijn gebleven. Ze bleven werken voor dezelfde mensen en hebben zichzelf opgebouwd. En zo zijn mijn opa en mijn vader gebleven. Wij zijn daar geboren. … Mijn ouders zijn altijd bij plantage Tourtonne geweest. Zo heette dat waar wij gewoond hebben. Daarom heet het tegenwoordig ook de Tourtonnelaan. Het was een plantage. Dat was eind jaren dertig.

Ik kan me als kleine jongen van Tourtonne herinneren, dat wij een heel oud huisje hadden met een klein balkonnetje. We spraken van een doorkijkhuis. De planken die op elkaar waren gezet hadden allemaal grote scheuren. Als er ’s avonds iets aan de hand was dan maakte je niet de deur open, maar dan keek je door die kieren. Daarom praatte je van een doorkijkhuis. En de straat was eigenlijk geen straat. Aan weerskanten had je alleen maar bomen en doordat mensen daar vaak liepen, kreeg je een paadje en dat paadje leidde toen naar de stad. Dat heette vroeger de Gravenstraat, het is tegenwoordig de Henck Arron Straat. In de jaren vijftig werd het breder, het werd een zandweg en in de loop der jaren is het geasfalteerd. Dat kan ik me nog heel goed herinneren.

Bron: Project Nederlanders – Wereldburgers, interview met Jules en Cecilia Rahimbaks op 22 januari 2013 te Lelystad.

Alle rechten voorbehouden