Mollen kwamen mee met het zand van de dijken

Hoe grote en kleine dieren naar Zuidelijk Flevoland kwamen

Roelof Duijff is al vanaf 1982 als beheerder werkzaam in de natuurgebieden van Zuidelijk Flevoland; eerst bij de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, later voor Staatsbosbeheer en tegenwoordig voor Flevolandschap. Hij maakte mee hoe de fauna van deze polder zich geleidelijk ontwikkelde:

Mol

Op het moment dat je een bos aanplant waren er eigenlijk geen bosdieren natuurlijk; het was een jong bos. Maar we hadden bijvoorbeeld wel de kiekendieven die tussen de jonge bosaanplant zaten te broeden. Die boompjes waren maar een halve tot één meter hoog met ruigte ertussen; voor een kiekendief was dat prachtig mooi, ideaal om er tussen te gaan zitten broeden. Maar het bos werd groter en op een gegeven ogenblik hadden wij aan het Laakse Strand de eerste melding van de grote bonte specht. Dat was onze eerste echte bosbewoner, die het bos op kwam zoeken. Dat vind je dan leuk om dat mee te maken, de hele ontwikkeling naar een bos waar alles inzit.

Je hebt ook soorten zoals de grasmus, die in kruidenrijke vegetaties thuishoren, maar niet in een volwassen bos. Die ontwikkeling maak je mee, zoals nu bijvoorbeeld de grote zwarte specht Flevoland begint te verkennen, begint te broeden, omdat onze bosgebieden inderdaad wat ouder worden. Dat is een soort die het hier toch ook wel kan redden. De groene specht daarentegen zal dat nog lang niet doen, omdat wij nog niet die grote rode bosmierennesten hebben waarop hij foerageert. Dat duurt misschien nog wel 100 jaar voor dat de groene specht hier komt; we moeten nog geduld hebben.

Maar goed, die hele polder was nog maar net ontgonnen. Het was nog maagdelijk met nog weinig leven erin. Heel wat leven werd  aangevoerd doordat er met grond gerommeld werd. Dat begon al met het maken van de dijken. Daar is onderzoek naar verricht: met het maken van de dijken zijn mollen meegekomen. Die mollen zijn met de grond meegekomen waarmee de dijken werden aangelegd, de zwarte grond. En vanuit die dijk zijn de mollen de polder gaan verkennen, hebben zich dus in het gebied gevestigd. Misschien zijn er zelfs gebieden in Flevoland die nog molvrij zijn, maar dat durf ik niet te garanderen. Daar is echt onderzoek naar geweest in Oostelijk Flevoland en Zuidelijk Flevoland, ik heb daar ooit een lezing van meegemaakt. Men heeft onderzocht waar in 1960 de mollen zaten, waar ze in 1962 zaten en waar ze in 1965 zaten. Zo konden ze het hele patroon laten zien: zo zijn ze Flevoland binnengekomen. Kijk, de mol kan kruipen, hij kruipt over en door de grond heen, maar hij legt geen grote afstanden af. Dat kan wel als de mens per ongeluk helpt.

Als je dan kijkt naar de vos en de ree; die gingen over het water heen, de vos wat minder snel zwemmend, maar wel over het ijs. Die wacht tot er ijs is. Als er ijs is verlegt hij zijn grenzen, daar maken ze gebruik van; een stukje uitbreiding van hun territorium, misschien is er aan de overkant wat te halen, dan zoeken ze dat op. Als zo'n beest denkt, "Hé, dat is een interessant gebied qua voedselaanbod," dan blijven ze daar. Ja, en een ree is een hele goede zwemmer, dat is geen probleem. En de vos volgt de Nijkerker Brug om in het gebied te komen. Die lopen netjes over de brug heen. Dat is wel wat gevaarlijk natuurlijk en nog steeds sneuvelen er wel beesten op de brug. Een das volgt dat soort routes ook, die proberen ook Flevoland binnen te komen, daar zijn eerdere voorbeelden van dat dassen op die manier sneuvelen.

Bron: Landschapsbeheer Flevoland, Interview van Anke van Zwolle met Roelof Duijff, 11 maart 2019.

Alle rechten voorbehouden