"Laat maar nach Haus gehen"

De razzia van 17 november 1944

Lambertus Postma werkte sinds 1943 als kampbeheerder in kamp Schoterbrug. Hij maakte de razzia van 17 november 1944 mee, maar werd zelf niet naar Duitsland afgevoerd.

Arbeiderskamp

Arbeiderskamp in de Noordoostpolder in de jaren veertig (Batavialand, Collectie J. Pander).

Alle rechten voorbehouden

Ik was toevallig die tijd ziek. Later in De Voorst ben ik ook nog een hele tijd ziek geweest. Waar ik het opgelopen heb, weet ik niet, maar dat was een soort reuma. Dat had ik toen ook. Toen was ik zo’n beetje herstellende van, dus ik zat in de kamer en ik was me aan het scheren. Ik had wel een broek aan, maar verder van de rest geen overhemd of zo. Maar het hielp niet, maar ik moest wel mee. Alles werd uit het kamp weggedreven. Er bleef geen mens achter en dat is ook een toestand geweest, hoor. In het veld ook, hè. De schoppen stonden daar met het zakje met brood en soms het hondje van mensen van het oude land, die ook de polder introkken, vanuit Friesland, zeg maar. Schoterbrug lag al niet zo ver van de Lemmer af, natuurlijk. Dus die gingen op de fiets naar het werk. Die werden ook allemaal meegenomen. Ja, dat is wel een toestand geweest.

Wij moesten allemaal mee. Je had geen gelegenheid om bij wijze van spreken even aan de kant te gaan plassen; je werd meteen weer weggejaagd. Toen liepen ze ook nog verkeerd, want we gingen richting Schoterzijl en toen bleek dat we verkeerd waren en dat we naar Kuinre moesten. Daar werden we naartoe gebracht. Daar werden we eerst in kamp Kuinre bij elkaar gehouden en toen ’s avonds was het al donker en toen moesten we dan naar de openbare school in Kuinre. Daar werden we naar toe gebracht. Daar kregen we dan ook eten. Kamp Kuinre moest daar voor zorgen. Maar we hadden geen bord of niets. Een stukje krant, daar had je wat eten op. Zie maar dat je het op krijgt!

En daar was mijn broer ook bij. [...] Eén van die jongens: “Zeg Postma, kijk je broer eens!” Ik kijken, die werd helemaal niet goed. En ik de gang op in die school en die Duitser wou me tegenhouden. Ik zeg: “Ik maak nou wel dat ik mijn broer te pakken krijg!” En die kijken. Hij zegt: “Laat maar nach Haus gehen!” Mijn vader en moeder woonden in Kuinre. Toen mochten we hem met vier man in zo’n camouflagezeil naar huis brengen. Onderweg kwam hij bij. Hij zegt: “Wat doen jullie?” Ik zeg: “Hou je bek! We brengen je thuis!”

Toen was er één van ons, die mocht toen dokter Temminck waarschuwen en die woonde in die gezinsbarak in Kuinre. Maar die kreeg wel de waarschuwing, dat als hij niet terugkwam, wij van kant zouden worden gemaakt. Nou, dat was natuurlijk een hoop bluf, maar ja, je had niets in te brengen. Maar enfin, mijn broer thuisgebracht en dokter Temminck kwam en die keurde hem af voor alle diensten.

De andere morgen, toen kwamen ze allemaal hier net in de polder bijeen. Alles wat tractorchauffeur en zo was, mocht blijven, want het werk moest doorgaan. De Duitser had er natuurlijk wel belang bij dat er wat gedaan werd in die polder, want daar hadden ze natuurlijk zelf ook profijt van, dat er voedsel geteeld werd. Toen is er een hele partij vrijgekomen. Ik ben zelf ook vrijgekomen, want, kijk, die mensen die dan vrij waren, die moesten ook weer onderdak. En er moest ook weer voor eten gezorgd worden. En zodoende kwam ik ook weer vrij!

De rest is allemaal afgevoerd naar Vollenhove en Meppel. Daar zijn er verschillende van teruggekomen. Die hebben zich weten te bevrijden, vooral in Meppel. Er is een heel stel naar Duitsland geraakt. De meesten zijn wel teruggekomen, maar er zijn er toch ook wel gebleven.

Bron: Batavialand te Lelystad, project Cultureel Flevoland, interview met Lambertus Postma, 18 januari 2005. 

Alle rechten voorbehouden