Polders in het Marais Poitevin in Frankrijk

In 2016 brachten mijn vrouw en ik onze vakantie door in Frankrijk. Eén van de plaatsen waar we verbleven was in de Vendée in het zuidwesten aan de kust. In de plaatselijke VVV bekeken we een aantal folders. We bleken in de buurt te zitten van een gebied waar in 1010 door Benedictijner monniken de abdij van Maillezais was gesticht. Deze abdij bevond zich toen op een eiland in de kustvlakte Marais Poitevin.

1280px-MaraisPoitevin

Bootje op één van de waterwegen in het Marais Poitevin (Par Gilbert Bochenek — Travail personnel, CC BY 1.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=2634883).

Het Marais Poitevin is door de eeuwen heen onderhevig geweest aan overstromingen, zowel vanuit de zee als door de erin uitmondende rivieren. In het noordelijke deel voerden enkele rivieren slib aan en vanuit de zee trad ook aanslibbing op, waardoor landschappen op de grens van water en land ontstonden. Deze landschappen waren niet interessant voor de plaatselijke edellieden. Ze werden daarom geschonken aan Benedictijner monniken, die wel belangstelling toonden om zich in deze kustvlakte te vestigen. Al in de vierde eeuw hadden deze monniken abdijen op de oevers en de eilanden in het Marais Poitevin gebouwd.

Tegen het einde van de tiende eeuw zijn door hen de eerste inpolderingen gerealiseerd om de landen te beschermen tegen de zee en hoge rivierafvoeren, alsmede om landbouw mogelijk te maken. Aan het eind van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw zijn ook enkele kanalen aangelegd en zijn delen van het gebied door de monniken van Maillezais verder ingepolderd en ontwikkeld, die daarbij samenwerkten met monniken van abdijen in de omgeving.

In de veertiende en vijftiende eeuw zijn deze waterbouwkundige werken tijdens de Honderdjarige Oorlog en de verschillende religieuze oorlogen die daarop volgden vrijwel volledig verwoest. De inspanningen van de monniken gingen bijna volledig verloren, allereerst door gebrek aan onderhoud van de dijken, en vervolgens door vernietiging door protestanten, die vochten tegen de monniken.

Tegen het einde van het conflict zocht koning Hendrik IV, in verband met de omvang van de schade en het feit dat het weer relatief rustig was in het gebied, naar mensen die in staat zouden zijn om de waterbeheersingssystemen en de waterstaatkundige werken in het Marais Poitevin te herstellen. Omdat de plaatselijke abdijen, de edellieden die in het gebied en dichtbij woonden, alsmede het Franse koninkrijk zelf door de oorlogen verzwakt waren, werden Nederlandse waterbouwers aangezocht om het werk van de monniken over te nemen. De Nederlanders brachten niet alleen hun kennis en kunde mee, maar zorgden ook voor de nodige financiering. Humphrey Bradley, één van de Nederlanders, werd uit waardering door de koning verheven tot Grandmaître des digues du Royaume.

In 1599 gaf een koninklijk besluit Bradley alle mogelijkheden en middelen om snel te handelen. Als de lokale edellieden en grondeigenaren weigerden dijken te herstellen of nieuwe aan te leggen voerde hij de projecten in hun plaats uit, maar nam hij ook de helft van het (op)nieuw ingepolderde land over. Deze positie leidde tot woede bij de lokale bevolking. Velen zagen in deze aanpak, die direct verband hield met hun visserij- en jachtrechten, een inmenging in hun manier van leven. Sommigen vernielden de dijken, waardoor de Nederlandse projecten werden belemmerd.

De Nederlandse plannen en projecten hadden een zorgvuldige geometrische vormgeving, met name in de baai van Brault, waar enkele uitwateringsluizen werden gebouwd. Na de moord op Hendrik IV en de dood van Humphrey Bradley werden de meeste projecten ten gevolge van nieuwe opstanden niet voltooid. Pierre Siette, die door Lodewijk XIII tot koninklijk ingenieur was benoemd, startte dankzij wettelijk geregelde financiële ondersteuning de projecten opnieuw. Hiervoor ontving hij ook donaties van lokale landeigenaren en edellieden. Om de arbeiders ter plaatse te houden, werden dorpen en communaal land ontwikkeld. Op de dijken werden geleidelijk kleine huizen gebouwd.

Tegen het einde van de zeventiende eeuw zagen de ingepolderde delen van de kustvlakte er vrijwel hetzelfde uit als nu. De niet ingepolderde delen bleven natuurlijk gebied met daarin  ook wel de nodige bewoning. De meeste bewoners vestigden zich echter in de polders. In de negentiende eeuw besloot de staat om opnieuw te beginnen met inpolderingen. Op basis van een besluit van Napoleon werden nog niet uitgevoerde inpolderingen gereactiveerd.

Wetten met betrekking tot de inpolderingen werden op 16 september 1807 van kracht. Op basis van een keizerlijke verordening van 29 mei 1808 werden de benodigde waterbouwkundige werken gerealiseerd die een goede waterafvoer en de binnenvaart op de waterwegen konden verzekeren. Meerdere projecten maakten het verbouwen van betere gewassen mogelijk en de verbeterden de navigatie op de kanalen door de stroomsnelheid tijdens hoge rivierafvoeren te verminderen. De meeste van deze werken werden gerealiseerd onder het bewind van Louis-Philippe I, die drie afzonderlijke waterbeheerorganisaties installeerde. In deze waterbeheerorganisaties waren alle edellieden die gedwongen waren om alle werken en lasten vast te stellen en te inspecteren vertegenwoordigd. Er werden verschillende kanalen gegraven. De staat nam de meeste van deze werken over.

Deze veranderingen gingen gepaard met nieuwe wetten en regels die betrekking hadden op het onderhoud en beheer van de waterwegen: elke grondeigenaar zorgde voor de sloten in zijn gebied, de lokale gemeenschappen voor de kleinere kanalen, terwijl de grotere kanalen werden beheerd door een specifieke waterbeheerorganisatie, of rechtstreeks door de Franse staat. Kort daarna werden dammen gebouwd om de afvoer van de grote waterwegen te regelen teneinde tijdens de zomer een goed waterpeil te behouden.

In 1862 startte Evrard, een ingenieur voor openbare werken, een nieuw project op de rivier de Sèvre, waarvan de bedding werd verbreed en verdiept om een maximale afvoer te garanderen. Deze maatregel voorkwam, onder andere, overstroming van de polders tijdens de grote overstroming in 1872. Ook werden de nodige andere projecten om de afvoer te reguleren gerealiseerd. Langzaam zouden deze projecten resulteren in een betere benutting van de natte delen van de kustvlakte. Er werden bomen geplant en geleidelijk werden de oorspronkelijke rietvelden vervangen door weilanden.

Deze maatregelen konden echter niet voorkomen dat overstromingen, die vooral in de lente voorkwamen, vaak zeer schadelijk voor de landbouw waren. Dit werd veroorzaakt door problemen, waarvan de meeste specifiek waren voor vlakke gebieden: onevenredigheid tussen het grote stroomgebied van de rivieren en de relatief kleine ontvangende kustvlakte, een gering verval over de kustvlakte, het blokkeren van de uitstroom van water door de edellieden in de polders die overstromingen over hun land wilden voorkomen en door de beperkte beschikbare tijd van 12 uur per dag voor afvoer naar zee.

Op 3 januari 1979 werd het Regionaal Natuurpark Marais Poitevin opgericht waardoor veel aandacht kon worden besteed aan het specifieke karakter van dit gebied en aan het bevorderen van landbouw, natuur en recreatie. Sinds de eerste inpolderingen door de Benedictijner monniken aan het begin van de elfde eeuw mag het gebied met zijn polders, moerassen, meertjes, rivieren en kanalen na vele waterbouwkundige werken en inmiddels een goed beheer en onderhoud zich in een toenemende belangstelling verheugen.

Alle rechten voorbehouden

Media