Jong op Urk in de jaren twintig: met honger naar bed

Urk kende in de eerste helft van de twintigste eeuw grote armoede. Grote gezinnen en wisselende visvangsten zorgden ervoor dat er vaak ‘op de pof’ gekocht moest worden. Pieter Gerssen (1920), zoon van een winkelier, vertelt:

Hein Koffeman, één van de Urker groenteboeren,

Hein Koffeman, één van de Urker groenteboeren, met zijn handel aan het begin van het dorp (nu de Klifweg), ca. 1930 (collectie museum Het Oude Raadhuis te Urk).

Alle rechten voorbehouden

Ik kan wel zeggen dat we rijk waren in vergelijking met andere Urkers. Ik heb namelijk geen honger geleden. Mijn vrouw wel. Ik lustte wel tien plakken bol (brood), zei ze, maar ik kreeg er maar twee. Dat is de stijl van onze jeugd. Ik vertel vaak in het museum dat er dan een jongetje bij ons in de winkel kwam. Die vroeg dan aan mijn vader: "Jan, een pond rijst van 6 centen en 2 centen sirup (stroop)." Dan dacht mijn vader: "o, je moeder durft niet meer te kopen, want dan was de lijst alweer zo lang, snap je?" Er was dan zoveel op de pof gekocht dat nog betaald moest worden. En dan zei die jongen: "als mn toate (vader) dan van de week wat verdient, zal mn mimme (moeder) het zaterdag wel betalen." Snap je? Dat is feitelijk de tijd getekend hoe het toen was. Er zijn veel kindertjes met honger naar bed gegaan.

Dan moest het maar eens een maand of drie winter zijn, dan konden ze niet vissen. Vandaar dat je vroeger voor de winter, als je het betalen kon, aardappelen in de kelder opsloeg. Een pot zuurkool, een pot bonen, snijbonen, sperziebonen, dat maakten ze zelf in. Dan was de kool in de zomer goedkoop en wie dan geld had om witte kool te kopen, of meer dingen zoals bonen enzo, die maakten dat zelf in. Daar komen de zoute bonen vandaan.

Maar eh.. tja, weet je wat er vaak tegen me gezegd wordt door Urkers? "Jullie kunnen makkelijk praten, jullie pakken het zo uit de winkel, omdat wij een winkel hadden." Dat was wel zo, maar je moest wél betalen wat je inkocht. Ik weet óók wel dat een keer of twee per jaar een controleur van de Albino-maatschappij kwam en dan werd alles gekeurd en gewogen en de rekeningen bekeken. Want je kreeg in voren, hè. Dan werd bekeken wat er nog was en wat al verkocht was en ja, dan zat daar toch wel eens verschil tussen. Dat mijn vader geld moest lenen om het lik (gelijk, kloppend) te maken. We hadden wel elke zondag vlees, maar dán kreeg je dus een plakje spek.

Dat kopen op de pof, dat was omdat je de andere mensen redden kon, dat ze niet van honger omkwamen. Het boek waarin al die lijsten werden opgeschreven heb ik verbrand in de nacht dat mijn moeder gestorven is. Dat geld dat nog open stond zouden we toch niet meer krijgen. Er stonden nog wel lijsten van 80, soms 100 gulden open. Zodoende was het dat wij dan ook wel eens tekort hadden.

Bron: Batavialand te Lelystad, interviews met de heer P. Gerssen, 25 februari 2010, 4 maart 2010 en 11 maart 2010.

Alle rechten voorbehouden