De geuren en kleuren op een visserseiland in de Zuiderzee

In je herinnering worden niet alleen gebeurtenissen, maar ook andere zintuiglijke waarnemingen opgeslagen. Pieter Gerssen (1920) vertelt over de geuren en kleuren van het eiland Urk:

De oude visafslag van Urk aan de Oosthavenkade,

Geuren

Teergeur. De muurtjes buiten werden geteerd, voor het ongedierte, de onderkruipers en beddenzeikers (pissebedden). Dat rook je als de zon erop scheen. Je had de geuren van de kost. ’s Zomers werd de duvel (kachel) buiten gezet om een visje te bakken. En je had vanwege de financiële nood ook veel smerige mensen. Grote gezinnen, geen geld, geen water. Dat stonk. "Keer je hemd maar om".

De geur van lekkere gebakken harinkjes. Er groeide hier ook niks. Ja, je had een paar bomen. Ik heb weinig bloemen geroken. Je had niet eens een bloemenhandel op Urk. Ik weet nog dat er later vanuit Enkhuizen door Kok werd gevent met planten en bloemen, toen het iets iets íets beter werd met de financiën. Het was veel van die stinkdingen, geraniums. Het waren meestal geraniums en soms stond een zielige geranium voor het raam, het hoofd naar beneden, haha.

Kleuren

Striept boatjen (rood-wit-zwart gestreepte boezeroen, klederdracht voor mannen). De mensen waren niet netjes aangekleed, want er was geen geld. Er is ook nog een tijd geweest, dat bij de Urker klederdracht de krablap van de vrouwen veel te hoog zat en de rok te laag. Ze hadden een rode borstlap onder hun krablap, want anders had je hun hemd gezien en dat was ijdel natuurlijk. Dat kon niet. Maar dan zag je wel die rode borstlap. Ze hadden geen geld om iets op maat te kopen, dat is later pas gekomen.

De kleuren binnen in huis kun je in het Urker ussien (huisje) bij het museum zien. Bedstee-blauw en appelbloesem. Dat waren de kleuren, hoor. En dan teer natuurlijk, onderaan de muur. Dat zat ook ín de keuken, als je tenminste een keuken had.

Hoe het was als je in 1925 of 1930 in de zomer over Urk liep? Er werden garren (garnalen) gevangen, die werden gepeld. Daar moesten kinderen ook bij helpen. Geen geld voor zeep natuurlijk, dus dat stonk behoorlijk. Dan tot overmaat van ramp, als er véél garren gevangen werden, werden die garren gedroogd. Dan werden er grote zeilen op de dam gelegd, daar waar nu De Kaap is. Daar werden die garren dan op gegooid en daar scheen de zon lekker op, want ze moesten gedroogd worden voor kippenvoer. Dan moest iemand dat met een hark omkeren, zodat ze goed droogden. Nou, je kunt wel nagaan: die stank ging over heel Urk heen, vooral als de wind zuidwest was, vanuit Amsterdam kwam. Maar dat vonden we gewoon. Mijn vader en mijn ome Harmen had later ook een vismeelfabriek en toen ging dat drogen moderner, maar dat stonk nog steeds over Urk. Heb je die foto’s wel eens gezien van de centrale, daar waar nu de Rabobank staat?

Bron: Batavialand te Lelystad, interviews met de heer P. Gerssen, 25 februari 2010, 4 maart 2010 en 11 maart 2010.

Alle rechten voorbehouden