"Wow, wat heb ik gekregen!"

Een luxueuze woning in Biddinghuizen

Claudia van Loveren vertrok in 1973 met haar ouders vanuit Utrecht naar Biddinghuizen. Wat betreft behuizing gingen ze er op vooruit, maar het pioniersbestaan in een klein dorp in de lege polders was wel even wennen. Claudia van Loveren vertelt:

Biddinghuizen

Ik kom uit het hartje van Utrecht. Mijn vader kon hier bij de melkboer op de SRV-wagen komen werken. In het begin verbleef hij van maandag tot en met vrijdag bij een collega. In de weekenden kwam hij dan terug. Toen was het nog zo dat als je werk had, je baas een woning voor je kon regelen. Toen ben ik aan de overkant van de straat komen wonen; dat was in 1973, dacht ik. Zodoende zijn wij in Biddinghuizen gekomen.

Mijn moeder vond het hier verschrikkelijk. Mijn vader was hele dagen aan het werk. Mijn zusje en ik waren natuurlijk nog klein. Mijn moeder vertelde later: “Ik stond elke week mijn ramen te zemen. Gewoon uit pure verveling.” De stad leeft altijd. Daar woonde alle familie. Haar broer – mijn oom dus – had een tweeling. Mijn moeder hielp haar schoonzus met die tweeling. Mijn zusje en ik gingen dan mee op de arm en in de wagen. In Utrecht waren dus alle dagen gewoon bezet. Daar ging je ook op in de mensenmassa. Toen kwam ze hier, ze kende helemaal niemand hier en ze had echt iets van: “Hoe ga ik hier de dagen doorkomen?” In het begin had ze heel veel heimwee en had ze er grote problemen mee. Ze ging toen één keer in de week met het openbaar vervoer, met de trein, met twee kinderen op de arm, voor een dag naar Utrecht. Alleen maar om even uit de stilte hier weg te zijn. [...]   Nu – dan zijn we 45 jaar verder – vinden mijn ouders een dagje Utrecht wel leuk, maar zijn ze blij zodra ze de polder weer zien. [...]

Dit blok [Fruithof] stond er, en verder een stuk van de Wendakker en de Akkerhof. Vanaf hier kon je bij wijze van spreken regelrecht naar het Veluwemeer kijken. [...] Het waren woningen die snel door de Rijksdienst waren gebouwd. Want ja, Biddinghuizen moest wel gebouwd worden en er moesten heel snel voorzieningen voor de gezinnen komen. Er waren eerst een paar houten barakjes, dat is dan zeg maar in de jaren zestig. Toen zijn mijn schoonouders hier komen wonen. Mijn schoonvader werkte bij de Rijksdienst, dus hij heeft de bossen rondom aangelegd. Toen stonden er gewoon een paar keten. Dat waren de winkels.

Wij woonden [in Utrecht] in de binnenstad, vlak bij Hoog Catharijne. Daar had je kleine woningen. Mijn moeder heeft wel eens tegen me gezegd: “Dan lag jij in de box en dan zag je weer een muis wegschieten.” Dat soort dingen. Toen ze hier kwamen kregen ze een woning waarvan ze dachten: “Wow, wat heb ik gekregen!” Dat was wel een luxe ten opzichte van de oude woning. Maar goed, dit waren toentertijd nieuwbouwwoningen en zij zat in Utrecht in een woning die daar al een jaar of vijftig, zestig stond.

Bron: Batavialand te Lelystad, Project 50 jaar OFW, Interview met Claudia van Loveren, 2 november 2018.

Alle rechten voorbehouden