Luchtoorlog boven Flevoland. Deel 2

Neerstorten boven het IJsselmeer en pilotenhulp

1 geïnteresseerde

"Het was een feit dat als jij in de oorlog een vlieger hielp, jíj tegen de muur ging." Het verhaal van de bergingsofficier die betrokken was bij de berging van - met name - geallieerde vliegtuigwrakken in de Flevolandse polders.

dinah might

Wrak van de Amerikaanse B-17 Flying Fortress (door de bemanning ‘Dinah Might' gedoopt), neergestort op 10 februari 1944 op kavel J107 in de Noordoostpolder (Batavialand, collectie Th. Nieuwburg).

Alle rechten voorbehouden

Neerstorten boven het IJsselmeer

Als we over het IJsselmeer praten, zijn er niet meer dan 160 vliegtuigen in dat gebied neergestort tijdens de oorlog. Voor ingewijden zijn die crashes bekend. Op internet is er wel meer over te vinden. Over de aantallen, niet over de precieze locatie. Als er een vliegtuig in het water neerkwam, wisten ze nooit precies waar. Er kwam olie boven, er kwamen wrakstukken boven, maar het vliegtuig sloeg kapot. Het kwam van boven naar beneden en sloeg finaal aan gort. Stukken verspreid over een hele grote plaats. En daar zijn ook een hoop mensen van vermist. Ik heb een lijstje van de reddingsboten, Lemmer, Enkhuizen en Hindeloopen, die regelmatig opdracht kregen om naar bepaalde dingen te zoeken. Ook vliegers van vliegtuigen. De Elburger vissers, de Harderwijker vissers, de Makkummer vissers, die namen ook vaak jongens aan boord als ze gevonden werden. Lijken werden meegenomen naar de wal. Zo zijn er ook een hoop in Urk aangespoeld, maar ook door visserlui aangebracht.

 

Pilotenhulp

Op het land wist je het meteen. Je zag de rommel liggen, je zag de wrakstukken liggen. In de Noordoostpolder werkten al mensen, dus ze wisten ervan. De grond was daar zachter, maar alles wat in de Noordoostpolder is terechtgekomen, is bekend. Die zijn na de oorlog allemaal geruimd. Er zijn drie noodlandingen geweest in de polder. De Dinah Might en later nog een B-17 en een B-24. Maar het gebeurde natuurlijk ook wel dat een vliegtuig in het water neerstortte en dat de jongens aan een parachute in de polder terechtkwamen.

De vliegers kregen geen wapens mee. Wel geld en dingen om eventueel te kunnen betalen voor hulp, voor kleren en dat soort zaken meer. Het was een feit dat als jij in de oorlog een vlieger hielp, jíj tegen de muur ging. Die vlieger werd krijgsgevangene. Dát was het verschil. En daar was geen ‘maar’ bij. Dat hebben de Duitsers stug volgehouden, tot aan het end. Maar desalniettemin zijn er een heleboel vliegers geweest die geholpen zijn door Nederlanders, óók in de polder hoor. De NOP was het Nederlands Onderduikers Paradijs. Jullie kennen dat niet meer, maar dat riet! In Flevoland kreeg ik met dat riet te maken. Dat stond verdikkeme drie, vier meter hoog. Je zag geen moer meer! Nou, en in dat riet kon je dus een hoop dingen doen. De Duitsers keken ook wel drie keer uit om zich daar in te begeven, want die wisten ook donders goed: als hier een paar Nederlanders ons te pakken krijgen en ze kunnen ons op een geschikte manier verdonkeremanen zonder dat iemand dat merkt, dan doen ze dat. Maar dat was uitkijken. Van de jongens die in de polder terechtgekomen zijn, zijn de meeste gewoon gevangen genomen. Op het land waren de ontsnappingskansen klein. In Nederland zijn er toch nog vrij veel die ontsnapt zijn met behulp van Nederlanders, maar... ja, het had meer kunnen zijn. Maar nogmaals, als burger moest je uitkijken.

 

Pilotenlijn

Er was niet echt een pilotenlijn in Flevoland. Wel vanuit Friesland en daaromheen. En er waren wel connecties met mensen. Ze konden wel eens iemand een tijdje opbergen. Ik denk dat ze dat wel gedaan hebben. Maar een specifieke lijn… er was haast niks daar. Er waren wel plekken in de Noordoostpolder waar de Duitsers ook niet kwamen, maar het beroerde was: hoe krijg je die vliegers daar weg? Met de boot naar Enkhuizen? Dat zal ook wel gebeurd zijn. Ik weet wel dat één van de jongens uit de Liberator die in de Noordoostpolder is terechtgekomen hier in de buurt [Baarn] heeft ondergedoken gezeten. Het kon dus wel. Niet op grote schaal. Minder dan bijvoorbeeld in Friesland, maar toch nog zeven man. Het oude land had ook meer uitwijkmogelijkheden en de verbindingen waren wat beter. Want daar zat je natuurlijk mee in de Noordoostpolder. Er was nog geen weg. Ik weet zelf nog wel in de tijd dat ik de polder inging, dat ik plankjes had onder mijn laarzen.

Bronvermelding: Batavialand te Lelystad, interview met de heer G.J. Zwanenburg, 16 september 2009.

Alle rechten voorbehouden