Waar nodig werd de grond ‘verbeterd’

1 geïnteresseerde

Met behulp van de bodemkaart die de afdeling van Rein Koopstra maakte, kon men zien waar dunne, onvruchtbare lagen goede grond bedekten. Op die plaatsen werd ingegrepen ten behoeve van de landbouw.

greppelkartering

Dat [voorstellen tot grondverbetering] kwam er natuurlijk van als de bodemkaart klaar was. Of al eerder, als je zag: jongens, daar lopen we op zand, of daar zit maar een dun laagje. Dan werd dat opgenomen en werd er een bodemkaart van gemaakt. En dan werd er dus over vergaderd wat je aan verbetering zou kunnen doen. Want je zat nog steeds in de periode van Oostelijk Flevoland dat iedere vierkante meter landbouwgrond moest worden. Dus de hoek tegen de Friese kust aan, daar werd veel grondverbetering toegepast. Tegenwoordig zou je zeggen, jongens, hupsakee, bomen er op. Maak er maar bos van. Maar dat kon niet, want hier moest de zaak verbeterd worden. Als er een laag onderin zat, werd die naar boven gehaald, geploegd, en werd de zaak goed vermengd en in de loop der jaren beter gemengd.

De opzet was dus, als het kon: maak er landbouwgrond van. Dus werd daar bij ook het waterpeil bekeken. Er werd niet alleen ontwaterd, maar met irrigatie werd het slootwaterpeil omhoog gebracht. En de drainbuizen waren dan ook meteen voor de toevoer van water. Ja, ja, want die buizen zaten er al wel in. De opzet was altijd: waar greppels gegraven konden worden, moesten greppels gegraven worden voor de ontwatering. Waar dus de greppels geen zin hadden, zoals in het noordwesten, Swifterbant en omgeving, waar die fijnzandige laag bijna in de bouwvoor zat, daar werd dus niet begreppeld, niet voorgegreppeld. Daar werd meteen de drainageafstand, de afstand tussen de drainagebuizen, vastgesteld.

Bron: Landschapsbeheer Flevoland, interview met de heer Rein Koopstra door Nico de Jong, 5 oktober 2011.

Alle rechten voorbehouden