De Pardinapolder in de Donaudelta

Aan het eind van de zestiger jaren van de vorige eeuw bracht de voormalige president van Roemenië, Nicolae Ceaușescu, een bezoek aan Nederland. Er werd voor hem een rondvlucht over ons land geregeld. Hij zag onze vruchtbare en hoog ontwikkelde delta en besloot dat de Donaudelta op overeenkomstige wijze moest worden ontwikkeld. Dit heeft in 1975 geleid tot een ontwikkelingsplan voor de Donaudelta.

Gemaal van de Pardina polder waarmee water kan worden uitgemalen en ingemalen

Gemaal van de Pardinapolder waarmee water kan worden uitgemalen en ingemalen.

Alle rechten voorbehouden

Om de realisatie van dit plan te bevorderen werd samenwerking met de toenmalige Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (RIJP) gezocht. Dit heeft geleid tot een onderzoekssamenwerking. Van 1980–1986 was ik de coördinator van deze samenwerking aan Nederlandse kant.

De Donaudelta ligt in het oosten van Roemenië aan de Zwarte Zee. De oppervlakte is circa 560.000 hectare, waarvan circa 460.000 hectaren op Roemeens grondgebied ligt. De overige 100.000 hectare ligt op het grondgebied van de toenmalige Sovjet Unie, nu Oekraïne. In de Donaudelta woonden in die tijd slechts 6.000 mensen in enkele kleine dorpjes. Infrastructuur, wegen, elektriciteits- en drinkwatervoorziening ontbraken vrijwel geheel. Sulina aan de Zwarte Zee was het grootste dorp met circa 3.600 inwoners. De gehuchten waren gebouwd op oeverwallen of op kunstmatige verhogingen. Vrijwel alle transport ging over water. Langs de Zwarte Zee-kust was er wat recreatieve ontwikkeling. De delta was overwegend begroeid met erg grof riet. Langs de geulen stonden vooral wilgen en populieren. De laatste waren gedeeltelijk ingeplant.

De afvoer van de Donau varieerde van 1.500 tot 20.000 kubieke meters per seconde, waarbij de maximale afvoer doorgaans optrad in de periode april-mei. Hierdoor konden grote delen van de delta gedurende enkele weken onder water staan. Hierin kan inmiddels enige verandering zijn gekomen door de aanleg van de twee ‘Iron Gates’ dammen in het meer bovenstroomse deel van de Donau. De waterafvoer door de delta vond plaats via drie hoofdtakken. De noordelijkste was grensrivier tussen Roemenië en de voormalige Sovjet-Unie en was duidelijk de belangrijkste tak. Tussen deze drie hoofdtakken kwamen een aantal kleinere geulen voor.

Het noordelijke en westelijke deel van de delta bestond uit een oeverwallen- en kommenlandschap met in het oosten vrij uitgestrekte duingebieden. De oeverwallen bestonden uit een vrij zwaar kleidek van wisselende dikte op een zandondergrond. Ook de kommen bevatten zware klei en plaatselijk veen. Op diverse plaatsen kwamen zeer ondiepe meren voor (0,3-0,5 meter). De Donau voerde per jaar circa 50 miljoen ton slib af. Dit werd grotendeels afgezet in de delta op het grondgebied van de Sovjet-Unie. Door het vrijwel vaste peil van de Zwarte Zee stond de delta nagenoeg niet onder invloed van een getijbeweging.

In de periode 1950-1980 zijn in de Donaudelta enkele kleinere landbouwpolders aangelegd. De grotere Pardinapolder (28.000 hectare) werd in die tijd ook gebruikt voor rietcultuur, Met behulp van een gemaal kon water in deze polder worden gepompt om de watervoorziening voor het riet op peil te houden. Het geoogste riet werd gebruikt voor de vervaardiging van cellulose. Dit was echter niet meer lonend. In het kader van het ontwikkelingsplan voor de Donaudelta was daarom besloten om de Pardinapolder aan te passen en in te richten als landbouwpolder. Deze stap moest worden gezien als eerste in de voorgenomen ontginning van 100.000 hectare landbouwpolders in de Donaudelta. Hiertoe was in 1980 een plan opgesteld. De ontwikkeling van de Pardinapolder moest van 1980-1990 plaatsvinden.

Tussen het Roemeense Ministerie van Landbouw en Voedselindustrie en het Nederlandse Ministerie van Landbouw en Visserij bestond in die tijd een samenwerking op het gebied van landbouwkundig onderzoek. In dit kader is in 1981 ook het onderzoek in verband met de plannen ten aanzien van de ontwikkeling van de Donaudelta opgenomen. Dit heeft ertoe geleid dat de RIJP nader betrokken raakte bij het onderzoek. Aangezien er in Roemenië een groot aantal terzake deskundige onderzoeksinstituten waren heeft de inbreng van de RIJP het karakter gehad van een klankbordfunctie en een brenger van de slechte boodschappen. Daarnaast werd het van de Roemeense kant zeer op prijs gesteld ook vertrouwd te raken met modern onderzoek, ontwerp en uitvoeringsmethoden.

Ten aanzien van het ontwikkelingsplan voor de Donaudelta waren vooral kanttekeningen te plaatsen met betrekking tot een aantal onderdelen. Ten eerste werd ervan uit gegaan dat circa 100.000 hectare geschikt was voor landbouwkundige exploitatie. Op grond van de, overigens met moeite, overlegde informatie moest sterk worden getwijfeld aan de haalbaarheid hiervan. Op grond van de beschikbare bodemkaart kon nader worden aangegeven welke gebieden inderdaad potentieel geschikt waren. Dit was een aanzienlijk geringere oppervlakte dan waarvan aanvankelijk werd uitgegaan. 

De Donauelta was vrijwel onbevolkt. Daarom zouden acceptabele condities geschapen moeten worden om mensen aan te trekken. Dit zou vermoedelijk een nogal kostbare opgave worden. 

De opgestelde kosten-batenanalyse kon om een drietal redenen aanzienlijk slechter uitkomen. Allereerst kwam dit doordat een kleiner gebied landbouwkundig kon worden ontwikkeld dan waarvan was uitgegaan. Daarnaast moest op hogere kosten voor aanleg van infrastructuur worden gerekend. Ten slotte moest worden gerekend op een langere ontwikkelingsperiode waardoor het langer zou duren voordat de investeringen konden worden terugverdiend.

Dit waren in die tijd onmogelijke boodschappen voor de Roemeense specialisten, omdat de politici er zonder meer van uitgingen dat specialisten er waren om hun grootse plannen te realiseren en zeker niet om te komen vertellen dat iets niet kon, of onverstandig was. Een dergelijke boodschap zou direct leiden tot ontslag. Men paste er derhalve wel voor op om dit zelf te zeggen. Aan ons werd daarom verzocht om in onze rapportages dergelijke boodschappen op te nemen, dan kwamen ze tenminste van ‘deskundige’ buitenlanders.

Op basis van bovengenoemde zaken en om gegevens uit te praktijk te krijgen werd het van groot belang geacht om alvorens tot grote investeringen over te gaan eerst in een proefgebied de verschillende mogelijkheden na te gaan. Dit betrof in het bijzonder mogelijke methoden van grondverbetering speciaal in relatie tot de veen- en zandgronden, irrigatie methoden, noodzaak en mogelijke methoden van drainage, mogelijke gewasopbrengsten bij verschillende bodemomstandigheden, de draagkracht van de gronden in verband met machinale bewerking en tenslotte de invloed van winderosie.

In de zomer van 1982 werd gestart met de voorbereiding van een proefgebied van 800 hectare in de Pardinapolder. Het gebied was zodanig gekozen dat de verschillende in de Pardinapolder voorkomende bodemtypen zoveel mogelijk vertegenwoordigd waren. Afhankelijk van de resultaten die in dit proefgebied zouden worden verkregen konden de voorgenomen ontwikkelingen worden bijgesteld. Gezien het stadium van ontwikkeling waarin de Donaudelta zich toen bevond waren de mogelijkheden hiervoor toen nog ruimschoots aanwezig. Het plan voor het proefgebied werd in goed onderling overleg op papier gezet.

Hoewel er op een gegeven moment volledige overeenstemming was over de opzet van het proefgebied is het nooit aangelegd. Telkens was er weer een ander verhaal, waarom de aanleg was uitgesteld. Omdat er geen enkele vooruitgang meer werd geboekt heb ik mij in 1986 teruggetrokken uit het project. Het proefveld is voor zover mij bekend daarna ook nooit aangelegd. Wel heeft onze invloed enige zin gehad, want ook de voorgenomen inpolderingen zijn voor zover mij bekend niet doorgezet, waardoor veel schade en kosten zijn voorkomen. De Pardinapolder zelf is desondanks wel verder tot landbouwpolder ontwikkeld, zoals een blik op Google Earth laat zien.

Alle rechten voorbehouden

Media