Het belang van bodemkwaliteit

Niet alle gronden die de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders beheerde werden verpacht. Sommige bedrijven kregen de status van Bedrijf in Eigen Beheer. Hier werd onderzoek verricht dat voor de verdere uitgifte van belang was, onder andere naar de kwaliteit van de bodem. Nico de Jong legt uit:

Graantransport

Graantransport in Oostelijk Flevoland, 1964 (collecte Vereniging voor de Bedrijfsvoorlichting van de IJsselmeerpolders).

Alle rechten voorbehouden

Bedrijven in Eigen Beheer waren bedrijven die niet verpacht werden, maar waar een bedrijfsleider werd opgezet. Hij was in dienst van de overheid, het was een overheidsbaan. Die mensen kregen een vast salaris. Je moest ervoor zorgen dat je net zo boerde als een buurman die pachter was en het puur voor eigen rekening deed. Het doel daarvan was om gegevens te verzamelen: hoe gaat dat nou, hoe doen bedrijven het hier, hoe zijn de opbrengsten en hoe werkt het allemaal? Die gegevens waren ook belangrijk om bij een vervolgstap, bij voorbeeld in een andere polder, de bedrijfsgroottes te bepalen. Hoe groot moeten die bedrijven zijn willen ze nog renderend zijn? En wat voor type bedrijven moeten het worden: moeten het weidebedrijven worden, of moeten het akkerbouwbedrijven blijven?

Dat was ook weer een beetje afhankelijk van de toestand van de grond, omdat daar ook verschillen in zaten. De kwaliteit van de grond werd bepaald door het gehalte aan slib in de grond. Dan werd het lutumgehalte bepaald. Dat is het percentage klei dat in de grond aanwezig is en dat werd van tevoren al met bodemmonsters en dergelijke bepaald. Dan werd daarna een indeling gemaakt. Dan zei je: "Die grond is helemaal niet geschikt voor landbouw", en dat stuk grond werd dan vaak ook al ingericht om er bossen te planten. Dat was meestal aan de randen zo.

Eigenlijk ligt Flevoland op een helling van het Veluwemassief. Dat is allemaal zandgrond en in feite duikt die zandgrond in het IJsselmeer. Door beweging van water en door alles wat er meekwam via de IJssel kreeg je daar afzettingen van slib. Dat was in feite klei, want klei is het gedeelte van de grond waarvan de deeltjes kleiner zijn dan 2 micron. Kleideeltjes zijn veel kleiner dan de zanddeeltjes, want zandkorrels hebben eigenlijk een veel grotere fractie. Van zandgronden werden al direct gezegd: "Daar gaan we geen landbouw op doen," omdat dat voor landbouw niet zulke  vruchtbare grond is.

De Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders had eigenlijk een vast bouwplan met koolzaad en granen omdat dat vruchten zijn die in juli of augustus al rijp zijn en dan in de droogste tijd van het jaar geoogst kunnen worden. Ze wisten al wel dat kleigrond geschikt is om aardappels en bieten en dergelijke op te verbouwen, en ook om daar fruitteeltbedrijven te stichten. De gronden die zo’n beetje half zand waren of waar het zand niet zo diep in de grond zat, werden vaak aan weidebedrijven uitgegeven. Dat dezen ze omdat het voor gras vaak minder schadelijk is als het droog is dan dat het voor akkerbouwgewassen is.

Bron: Landschapsbeheer Flevoland, interview van Anke van Zwoll met Nico de Jong, 19 november 2019. 

Alle rechten voorbehouden