Luchtoorlog boven Flevoland. Deel 16

Eén grote klap en alles was stil

1 geïnteresseerde

"Je ziet zo’n vliegtuig neerklappen in zee. En je doet er niets aan." Het verhaal van de bergingsofficier die betrokken was bij de berging van - met name - geallieerde vliegtuigwrakken in de Flevolandse polders.

wrakdelen collectie G.J. Zwanenburg

Wrakdelen van een B-17 Flying Fortress, bijgenaamd ‘Crazy Horse’. Op 12 feburari 1944 nam dit toestel deel aan een aanval op het vliegveld Diepholz bij Osnabrück. Op de terugweg werd het geraakt door Duitse luchtafweer. Piloot Ralph W. Holcombe gaf zijn bemanning bevel uit het toestel te springen. Zelf sprong hij als laatste. De 'Crazy Horse' stortte in het IJsselmeer. Holcombs lichaam werd weken later uit het water gevist. De rest van de bemanning overleefde de crash. De 'Crazy Horse' werd in 1970 in de buurt van het toekomstige Zeewolde door G.J. Zwanenburg en zijn team geborgen (Batavialand, collectie G.J. Zwanenburg).

Alle rechten voorbehouden

Hoe gebeurde dat? Nou, die kisten klappen naar beneden en je hoort die motoren janken en één klap en alles is stil. En wij gingen als jongens kijken, zo waren we natuurlijk wel. Ik ben op een veld geweest, een paar dagen nadat een vliegtuig daar neergestort was: allemaal kleine brokjes, allemaal kleine stukjes. Zelfs nog stukjes mens die daar lagen. Ik weet nog dat ik daar een vliegerembleem vond en daar stond op 'RAAF. In 1943 wist ik nog niet dat dat Royal Australian Air Force betekende. Maar die kist was finaal aan splinters. Finaal aan gort.

Later, toen ik met mijn bergingswerk begon, kreeg je ook Duitse stukken en daar stond in zo’n Duits stuk: lichaamsdelen van zeven man in één kist. Dat betekende dus dat alles finaal kapotgeslagen was. Daar vind je niks meer van. Als één van die lui vermist geweest zou zijn, dan vind je hem niet meer. En die lui zijn dan begraven in wat je noemt een gezamenlijk graf. Wat er nog van over is, is daar begraven. En de namen staan erop. Maar er zijn nu mensen die denken dat op de plek van de crash nog iets moet liggen. En dan gaan ze zoeken en dan vinden ze niks. Nee, natuurlijk niet! Want dat waren de omstandigheden, die kennen de oorlog niet meer. Ik heb het bij ons in Harlingen gezien, die kist is dan op het land terechtgekomen, twee overlevenden en drie waren eruit gesprongen boven zee. De reddingsboot is nog uitgevaren, maar die heeft ze niet gevonden. Die jongens zijn nu nog vermist.

 

Jeugdherinneringen

De oorlog een spannende tijd? Dat was het wel een beetje. Kijk, ik was twaalf toen de oorlog begon. Oud genoeg om wat mee te maken en toch nog jong genoeg om er hier en daar tussendoor te scharrelen. Je vermaakte je wel een beetje. Bovendien, we woonden in Harlingen, een havenstad. Er werd gevist. En de Duitse Kriegsmarine lag ook in de haven. Die hadden ook een hoop vissersboten ingepikt. Maar gek genoeg zaten daar zeelui op. Dat waren door de bank genomen geen felle nazi’s. Ik heb het zelf gezien allemaal. Ik heb lijken zien aanspoelen. Dat soort zaken interesseerde ons.

Ik weet nog goed dat in 1934, toen was ik zes, wij een keer uit van huis waren naar Den Haag. Toen mocht ik ’s avonds opblijven. Want dan kwam er een vliegtuig over en dan kon ik de lichtjes zien. Tien jaar later telden we er tweeduizend op een dag!

De burgers waren er dagelijks bij betrokken. Ze zagen vliegtuigen neerstorten, ze zagen luchtgevechten. Ik heb zélf luchtgevechten gezien. Daar loop je ’s avonds en je hoort die vliegtuigen, die nachtjagers, je ziet die vliegtuigen in brand vliegen, er vliegen brandende stukken naar beneden… Je ziet zo’n vliegtuig neerklappen in zee. En je doet er niets aan. Zo ging dat in die tijd. Nederland zat vol met nachtjagers. Leeuwarden, Gilze-Rijen, Twente en Venlo, dat waren de vier nachtjagervelden.

 

He couldn't be there, he didn't have the range

We waren aan het schaatsen in februari 1941. We zijn van Harlingen naar Bolsward, van Bolsward naar Makkum en van Makkum weer naar Harlingen geschaatst. Op zaterdagmiddag, want op zaterdagochtend moesten we nog naar school. Dertien was ik. We waren Bolsward net voorbij, op weg naar Makkum, en we horen een vliegtuig. Rotweer was het, miezerig. Vliegen met dit weer, hé, hoe kan dat nou? En we zien hem, het was een Engelse jager, ik herkende het type, een Hurricane. Als ik mijn ogen dichtdoe, zie ik hem nog. Hartstikke laag. Hij zwaaien, wij zwaaien. Iets aparts. Daar is maanden over gesproken.

Na de oorlog ging ik alles natrekken. Een vriend van me zei: "Gerry, he couldn’t be there. He didn’t have the range." Hij kon zo ver niet vliegen. Hij was achter een Duitse jager aangezet vanuit Engeland en door het slechte weer de weg kwijtgeraakt. Boven Friesland zat hij alweer op een westkoers richting Engeland, maar hij had geen benzine genoeg. En halverwege de Noordzee heeft hij doorgegeven dat hij het niet ging redden. Hij is nog vermist. Dat is iets, als je dat gezien en meegemaakt hebt, dan vergeet je dat je leven niet meer. Dat is één van de redenen geweest waarom ik me met de luchtoorlog ben bezig gaan houden. Dat begon met de research rondom Harlingen. En later ben ik dus bij de luchtmacht gekomen als bergingsbaas, doordat ik al die kennis had.

Bronvermelding: Batavialand te Lelystad, interview met de heer G.J. Zwanenburg, 16 september 2009.

Alle rechten voorbehouden