Artikel

Neergestorte piloot verdwijnt toch weer naar Engeland

Via zogenoemde ‘pilotenlijnen’ werden zoveel mogelijk neergestorte geallieerde piloten door het verzet weer naar Engeland gesluisd. Dat eerste indrukken daarover kunnen bedriegen, weet Jan van Roeden zich nog te herinneren.

Op school hebben we een keer gehad, ik zit aan het raam, het was een dag met wat wolken en blauw en ik hoor me een lawaai. We hadden aardrijkskunde. Ik kijk en ik roep ‘Dekken!’. Wij allemaal tegen de muur aan. En er komt een vliegtuig naar beneden. Die klapt aan de andere kant van het kanaal van Ens boven de grond uit elkaar. Ik ben met dat ouwe damesfietsje, met Remmer Hielkema geloof ik, gaan fietsen, want er kwam een parachutist aan. Die dwarrelde naar beneden. Maar toen we eraan kwamen, was de politie er ook al en die stonden met die piloot te praten. Grote kerel met zo’n leren kap en een vliegersbril op. Het leek me een hele aardige, rustige knul. Wij als kinderen konden natuurlijk geen Engels en die politie wel. En die praatten wat. Nou, zegt die politieagent, hij is hier al eerder neergekomen. We hebben nog gevraagd of hij weer weg wil. Of hij weer terugwil naar Engeland. Hij had nee gezegd. Het was al zo’n beetje tegen het eind van de oorlog. Hij wilde wel krijgsgevangen genomen worden. Die politieagent vroeg wat hij heeft gehad, of hij was beschoten. Nee, hij vloog voor Schokland en daar stond zijn motor in de brand. Hij had al op vluchten gezien dat daar een kamp was. Dus hij moest eruit, maar dat ding moest naar beneden. Hij had de kap losgegooid en eraf geknald. En, wat die politieagent dan zei, had hij dat ding een trap gegeven en in de stand gezet dat ie er als het ware uitgeslingerd werd en het toestel naar beneden ging. En ik heb het gezien: hij is boven de grond uit elkaar geklapt.
Maar op Schokland had je een wachtpost van de Duitsers. Zij moesten het doorgeven als er landingen waren. Dat waren oudjes. We noemden ze ook geen moffen, dat waren grijze muizen, hele vriendelijke kereltjes. Ik had ze al eens ontmoet bij de boer waar ik melk haalde op Kampereiland. Maar goed, die lui komen er ook op een fietsje aan om die piloot op te halen. Nou, de politie liep al met hem op de weg. En toen wilde die vent sigaretten pakken uit z’n kontzak, o jongen, toen gingen die geweren. Niks aan de hand, handen omhoog en hij pakte die sigaretten en toen kregen die moffen ook nog sigaretten. Die wilden ze wel hebben. Als kind stond ik te trillen op m’n benen. Ik dacht: die schieten ze dood!
Lopend naar Ens, komen we net bij de kruising waar toen dat café zat en daar komt een auto aan! Een enge vent met zo’n doodskop op de pet. Hij zat alleen in de auto. Stapt eruit, schreeuwt tegen die moffen, ze geven die piloot af en toen trapt hij zo die vent achterin en rijdt weer weg. Een half uur daarna kwam er een Duitse legerwagen met een aantal moffen om de piloot krijgsgevangen te nemen. Ik vertelde het verhaal ’s avonds aan mijn vader en die begon te lachen en zei: ik denk dat hij volgende week weer in Engeland zit. Dat waren mooie dingen, waar iedereen plezier in had he. Sjongejonge.

Bron: Nieuw Land Erfgoedcentrum, interview met Jan van Roeden, 19 maart 2014.

Alle rechten voorbehouden