Boekpresentatie Wanneer de polder vonken slaat

16 december 2011 te Dronten

Bij de presentatie van het boek van A.J. de Wit (auteur) hield Chris de Koning een toespraak die hieronder is opgeschreven.

"Nu ik hier zo sta en terugkijk in de geschiedenis van de plaats Dronten dan denk ik dat u, mijnheer De Wit, van de aanwezigen één van de weinigen bent, die kan zeggen: "ik was hier al aan het werk voordat er zelfs maar aan de eerste ontwikkeling van de bouw van het dorp Dronten kon worden begonnen."

Eerst moest het riet afgebrand worden, sloten en greppels gegraven en een aantal jaren landbouw worden bedreven. De grond moest indrogen, inklinken en voldoende rijp zijn voor verdere bestemmingen. U hebt deze periode in uw boek zeer treffend beschreven. U hebt ook in uw werkzame leven, net als ik, ervaren hoe uniek het is aan het Zuiderzeeproject mee te hebben mogen werken. Wij willen die vonken niet alleen aan onze kleinkinderen laten overslaan, maar aan allen, die belangstelling voor de geschiedenis van het nieuwe land hebben.

Als Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders waren we een ontwikkelingsbedrijf. Veel dingen moesten worden uitgevonden en vooral ook goed voorbereid. Gedegen onderzoek, daarop plannen maken en vervolgens uitvoeren. Door een goede samenwerking tussen praktijk en onderzoek werden nieuwe werkmethoden en werktuigen ontwikkeld. De Rijksdienst heeft zodoende in Nederland belangrijk aan innovatieve ontwikkelingen op allerlei gebied kunnen bijdragen.

in de sector, waarin u hebt gewerkt, heerst bovendien een bedrijfsmatige sfeer. Er moest verdiend worden met de gewassen. En het landbouwkundig gebeuren dwong af dat de werkzaamheden op tijd moesten worden uitgevoerd. Deze aanpak had zijn uitstraling in de hele dienst. Daarom lukte het ook om in de andere sectoren van het project binnen de gestelde tijden landbouwbedrijven, bossen, dorpen en steden te realiseren. Gelukkig is er over de technische kanten van deze werkwijze veel gepubliceerd en vastgelegd. Veel minder is dit het geval met de menselijke aspecten van het werk. De laatste tijd is daar gelukkig meer belangstelling voor. Recente symposia van het Genootschap Flevo over samenlevingsopbouw en identiteit van Flevoland laten dat zien. Maar het zijn vrijwel altijd beschouwingen van mensen, die de betreffende gebeurlijkheden niet zelf hebben uitgevoerd of meegemaakt. Met uw boek is dat niet het geval. U hebt het zelf allemaal beleefd, waargenomen en op een boeiende wijze in al zijn facetten beschreven. Dat heb ik zo niet eerder meegemaakt.

Met uw levensbeschrijving laat U zien, hoe een echte pionier in een nieuw stukje Nederland met een ondernemende instelling uiteindelijk een mooie boerderij heeft opgezet. U geeft daarbij ook aandacht aan de velen, die dat niet gelukt is. Dat was de keerzijde van de medaille. Het aantal kandidaten was vele malen groter dan de beschikbare bedrijven. Om over de toewijzing toch op een verantwoorde wijze besluiten te kunnen nemen, zijn een vast aantal uit de opvattingen van de Staten Generaal voortgekomen criteria gehanteerd. Daarvan waren de belangrijkste: kennis, financiële draagkracht en bereidheid - zo mogelijk met ervaring - bij te dragen aan de opbouw van de nieuwe samenleving.

Verreweg het grootste deel van uw boek gaat over het grootlandbouwbedrijf van de R.IJ.P. Als ik de nauwgezetheid zie waarmee u schrijft over de werkzaamheden, de namen van mensen en de loopbaan, die U gevolgd hebt, moet u wel een dagboek hebben bijgehouden. Velen herkende ik, maar het was vooral de menselijke maat, die U hanteerde, die mij trof. Ik denk dat velen van hen, die bij de ontginning en het in cultuur brengen betrokken waren, het bijzonder waarderen, dat U dit allemaal op zo'n uitstekende wijze hebt vastgelegd. Vanuit mijn positie wil ik mijn dank hier graag aan toevoegen. Ik stel het zeer op prijs van U zelf een exemplaar te hebben gekregen.

 

 

 

Alle rechten voorbehouden