"Meneer de landdrost, ik kan u niets maken"

Landdrost Otto in conflict met minister De Gaay Fortman

Alle bevoegdheden die in 'reguliere' gemeenten bij de burgemeester, het college of de gemeenteraad berustten, waren in het gebied van het openbaar lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders in handen van de landdrost. De Adviesraad, de lokale volksvertegenwoordiging, had alleen adviesrecht. Toch nam landdrost W.M. Otto alle adviezen over, zelfs als hij daardoor in problemen kwam met de minister van Binnenlandse Zaken, die fungeerde als Commissaris van de Koningin in de IJsselmeerpolders. Dit bleek toen de Adviesraad geen gelden meer wilde uittrekken voor de Bescherming Bevolking, al was dit een verplichte uitgave. Jan Lindhout, voormalig secretaris van het openbaar lichaam, vertelt:

BB

Ik moet nog even schetsen: de post Bescherming Bevolking. De meerderheid van de Adviesraad zei daarvan: “Nee, dat moet eraf, daar zijn we het helemaal niet mee eens.” Otto zei: “Goed, de wet voorziet erin. Het is een verplichte uitgave. Maar als de gemeenteraad besluit om dat niet op te nemen, dat doen Gedeputeerde Staten dat. We hebben geen Gedeputeerde Staten, maar eigenlijk toch wel want dat is de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken. Dan moet hij het er maar weer op zetten.” Van Duin zou gezegd hebben: “Ben je helemaal mal, die lariekoek, het komt er toch op, ik beslis afwijkend.” Heeft Otto niet gedaan.

Wat gebeurde er: hij kreeg van De Gaay Fortman op zijn lazer in het Torentje. De grote De Gaay Fortman zat hoog, en wij zaten op een bank wat lager. Hij zei heel keurig:

“Meneer de landdrost, ik kan u niets maken.”

Kijk, dat is nu het verschil tussen de minister van Verkeer en Waterstaat en de Rijksdienst. De directeur had dan moeten zeggen: “Meneer de minister, we gaan het zo doen.” De Gaay Fortman zei heel duidelijk:

“Ik kan u niets maken. U bent de bestuurder. Maar wilt u wel nog even netjes vastleggen in een brief aan mij hoe u denkt te werken?”

Die brief hebben we ook gemaakt en daar stond in feite in: “Als ik als burgemeester een uitspraak van de Adviesraad in strijd met de wet zou achten, zou ik dat niet doen. Maar dit is niet in strijd met de wet.” Die brief is in kopie voorgelegd aan de Adviesraad, nadat hij was verzonden. Toen zei de Adviesraad – dat kan ik me goed herinneren: “Keurig, meneer de landdrost.” En dat was tekenend voor Otto. Hij zei:

“Zo doe ik dat, en ik moet die mensen opleiden tot gemeenteraad straks. Zo moeten ze kunnen werken.”

Bron: Batavialand te Lelystad, Audiovisueel Archief, interview met Els van Hulten, Michel van Hulten en Jan Lindhout, 8 september 2016.

Alle rechten voorbehouden