"Met mij heb je geen barst te maken"

Bureaucratische stammenstrijd in de IJsselmeerpolders

Voordat Michel van Hulten in 1965 werd benoemd tot hoofd van de afdeling Economisch en Sociografisch Onderzoek van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, had hij in Zwolle een gesprek met dr. ir. W.M. Otto, directeur van de dienst. Hij kreeg te horen wat zijn taken zouden zijn. Al snel werd duidelijk dat het uitvoeren van zijn taken werd bemoeilijkt door een bureaucratische stammenstrijd die binnen de dienst woedde. Michel van Hulten:

v Duin

Toehoorders bij de vergadering van de commissie van advies van februari 1972. Rechts vooraan Roel van Duin (foto Henk Hutten, collectie Batavialand).

Alle rechten voorbehouden

Ik moest [van Otto] een afdeling oprichten en ik moest ambtenaren en onderzoekers aantrekken, met de uitdrukkelijke bedoeling dat wij zouden gaan werken aan Lelystad. En Otto deelde mij bij dat eerste gesprek al in groot vertrouwen mee – ik mocht er met niemand over praten, dat is me altijd bijgebleven – dat het plan-Van Eesteren overboord gegooid zou worden door de minister. De nieuwe afdeling was nodig om een nieuw plan voor Lelystad te maken. Daar was Tellegen voor aangetrokken, als hoofd Stedenbouw. Hij kwam een half jaar of zo vóór mij. Toen kwam ik. En Van Saltbommel kwam erbij. Hij werd specifiek aangetrokken voor Lelystad. Ik werd niet specifiek aangetrokken voor Lelystad, ik was voor de hele Rijksdienst bestemd.

Toen is er een fout gemaakt, vind ik achteraf, namelijk dat bij dat gesprek Van Duin niet aanwezig was. Omdat ik vrij snel daarna merkte dat Van Duin gewoon zijn eigen koers voer, geen behoefte had aan een onderzoeksbureau, en helemaal niet aan een sociografisch bureau dat bij Ebbens zat. Als het bij hem was geplaatst, was het misschien nog goed gegaan, denk ik. Maar omdat het bij een andere directeur zat, bij Ebbens en Lindenbergh, zinde het Van Duin niet. Van Duin is toen begonnen met een eigen onderzoeksbureau. De eerste man die daar kwam deed onderzoek naar recreatie. Van Duin moest wel rechtvaardigen dat het iets te maken had met gras en bomen, want anders kon het niet bij de Landbouwkundige Afdeling. [...]

Van Duin was officieel hoofd van de Landbouwkundige Hoofdafdeling. Ebbens was hoofd van de Sociaal-Economische Hoofdafdeling (SEH). En Tellegen was hoofd van de Stedenbouwkundige Hoofdafdeling. Dan had je nummer vier, De Haan, en hij was hoofd van de ondersteunende diensten. Dat ging dan om de bibliotheek en de tikdames, en de twee correctoren van teksten in Zwolle. Otto stond als directeur van de hele dienst boven die vier.

Van Duin was natuurlijk veel zwaarder dan die drie anderen. Dat was van begin af aan duidelijk, maar dat wist ik niet toen ik kwam. Ik had toen natuurlijk bij Otto moeten stipuleren dat de SEH weliswaar de sociografische en economische afdeling zou krijgen, maar dat die afdeling zou gaan werken voor de hele dienst, en niet alleen voor de SEH. Ongeveer het eerste wat gebeurde toen ik hier eenmaal was, was dat Van Duin zei: “Met mij heb je geen barst te maken, want ik doe mijn eigen werk.” Hij zei het wat vriendelijker, natuurlijk, maar daar kwam het op neer. [...]

Ik geloof eigenlijk dat Ebbens daar niet eens zo rouwig om was. Hij kon Van Duin natuurlijk helemaal niet aan. Hij vond het allang best dat Van Duin die studieafdeling aan hem over liet. Dan had hij [Ebbens] ook geen last van hem [Van Duin].

Alle rechten voorbehouden